1922 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 54
34
niet minder dan 51 vergaderingen werden gehouden en 18 jaargangen van het orgaan zijn verschenen, dan is het duidelijk dat ik de grootst mogelijke soberheid moet betrachten. Ik wil dan beginnen met het gebied der natuurkunde en mag er op wijzen dat het ontstaan en de bouw van het heelal meermalen aan de orde zijn geweest. Reeds in den vijfden jaargang van het orgaan '•) gaf ds bekende doccr.t Dr. Nieuwhuis enkele belangrijke bijdragen op dit terrein, Eerst wijdde hij een artikel aan de nevelbolhypothese van Kant en daarna beschreef hij de vorming van ons planetenstelsel volgens Laplace, Zijn conclusie was, dat deze hypothese thans vrij zwak staat en misschien reeds lang zou zijn opgegeven, indien aan haar niet waren verbonden de namen van een der grootste Duitsche wijsgeeren en van een der bekwaamste Fransche wiskundigen. Voorts verschenen nog verschillende studiën van Nieuwhuis '') en leverde ook Reitsma ') een enkele bijdrage maar in het bijzonder moet gewezen worden op de voordracht van Schouten^), drie jaren geleden. Uit den aard der zaak zullen niet alle aanwezigen in staat geweest zijn deze be'angrijke studie in haar geheel te volgen, maar toch zal bij al'en wel een diepe eerbied achtergebleven zijn voor de grootheid van den schepper. Met instemming vernamen wij de conclusie, dat, wat ook hei toekomstig onderzoek moge leeren, toch vast staat, dat geen enkele theorie, die de schepping tracht te negeeren op één lijn te stellen is met het bijbe'verhaa!. Schouten heeft de overtuiging, dat er niet de minste reden vcor ons, Christenen, bestaat om ons te schamen voor de aloude belijdenis, dat God in den beginne hemel en aarde heeft geschapen. Op menig terrein der sterrekunde ziet Schouten nog groote verwarring en velerlei verschil van inzicht. Evenals Nieuwhuis oordeelt hij, dat de theorie van Kant en Laplace in haar oorspronkelijken vorm in wetenschappelijke krin') Dr. W. H. Nieuwhuis. De nevelbolhypothese van Immanuel Kant, Orgaan 1907/1908, pag. 83-97. Idem. De vorming van ons planetenstelsel volgens Pierre S'nion Laplace, pag. 172-188. Idem. Bezwaren tegen de nevelbolhypothese van Kant en Laplace, Org. 1908/1909, pag. 30-49. ^) Dr. W. H. Nieuwhuis. Van voorhistorische dieren en planten, Orgaan 1910/1911, pag. 105-151. Idem. Over de diluviale gletscherijs-theorie van Torell, Org. 1911/1912, pag. 65-81. Idem. Over den diluvialen mensch, pag. 121-162. •'') Dr. J. F. Reitsma. Palaeolithische industrie en kunst in WestFuropa, Orgaan 1909/1910, pag. 161-192. ^) Dr. W. J. A. Schouten. Onze kennis van den bouw van het heelal, Orgaan 1920. pag. 1-28. Voordracht 13 Nov. 1919 te Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's