1922 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 105
tg zóodat men van pigment kan spreken. Mühlman onderzocht ook hersenen van menschen, die 70, 80 en 90 jaar waren geworden en daar vond hij een opeenhooping van pigmentkorreltjes in de hersencellen, zoodat het juiste aantal niet te tellen was. Soms namen ze zelfs bijna de geheele ruimte van de cel in, zoodat slechts heel weinig van het protoplasma vrij gebleven was. Bij verschillende zoogdieren en vogels vond hij op verschillende leeftijden overeenkomstige verschijnselen. Wat beteekenen nu die pigmentkorreltjes? De aanwezigheid is kenmerkend voor den ouderdom, maar zijn ze daarom ook veroorzakers van den ouderdom en eindelijk van den dood? Tot hiertoe stonden we op den bodem der feiten, maar hier merk ik nog eens op, dat in het volgende de feiten minder overtuigend en de verklaring hypothetisch wordt. Het is te verwachten, dat de korreltjes met de celstofwisseling in verband staan. Men weet, dat bij de stofwisseling van bacteriën en vele onge wervelde diersr, producten ontstaan, die tot de groep der vetzuren behooren. Ook bij verschillende pathologische gevallen kunnen vetzuren bij de menschelijke stofwisseling ontstaan. Vetzuren geven met glycerine vet. Geeft men een dier eeniigszins groote hoeveelheden vetzuren in, dan kan men na cenigen tijd in de iymphe van het dier talrijke vetkorreltjes aantreffen. Dat pleit er voor, dat het dierlijk organisme glycerine kan vormen, die van vetzuren kunnen worden gevormd, die gewoonlijk tot koolzuur en water worden verbrand. Nu stelt Mühlman zich voor, dat langzamerhand de uitscheiding en verbranding van die vetzuren onvolkomener wordt. Dan blijven op den duur meer en meer resten hoe klein ook aanvankelijk, achter en de cellen ondervinden de schadelijke werking van hun onvoldoende stofwisseling en vallen dus eindelijk ten off^r aan den celsiofwisselingsdood, evenals de vroeger aangehaalde pantoffeldiertjes van Maupas, Dit treft men aan, voornamelijk in de hersencellen, die het geheele organisme beheerschen en in de hartspiercellen, die nog het meest onafhankelijk van het centrale zenuwstelsel zijn. Hierbij is reeds op te merken, dat beide, soorten van sterkgedifferentieerde cellen zijn, met een zeer uitgesproken eigen karakter, dus geheel in overeenstemming met wat we boven hebben besproken over celdifferentiatie. Zoo ondergaat dan het geheele lichaam ,den stofwisselingsdood door onvolkomen celstofwisseling, dus toch een oorzaak in stofwisselingsproducten en Metchnikoff was er derhalve toch niet zoo ver van af, toen hij de oorzaak van den dood zag in de onvolkomenheid der stofwisseling. Het valt niet te ontkennen, dat deze verklaring vernuftig in elkaar zit, maar anderzijds moeten we niet vergeten, dat het een hypothese is, als werk-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1922
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 138 Pagina's