Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1924 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 42

Bekijk het origineel

1924 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 42

2 minuten leestijd

34 We willen hierover niet meer uitweiden. O.i. kunnen de homologieën wijzen in de richting van afstamming, al is een andere verklaring niet uitgesloten. (Zie beneden). 't Schijnt, dat er, wat de zoölogie betreft, weer stemmen opgaan welke de doelmatigheid meer willen prediken. We herinneren aan een boek^), dat volgens prof. Barge een groote waarde heeft n.l. Karl Peter (Greifswald) ,,Die Zweckmassigkeit in der Entwicklungsgeschichte". Springer Berlin 1920". De grondstelling van Peter luidt, dat zich in de embryologie geen enkel morfologisch verschijnsel voordoet, dat niet bij voldoende bestudeering van nuttige beteekenis voor het individu blijkt te zijn. Rudimentaire organen kent hij niet. Misschien ware het goed, dat een onzer leden dit werk eens in een onzer vergaderingen besprak. Geven palaeontologie en vergelijkende morfologie hare feiten om in meer of mindere mate aan evolutie te denken, de embryologie is, zooals de lezer weet, niet achtergebleven. Ieder kent de uitdrtikking: ,,de ontogenie verloopt evenwijdig aan de phylogenie", eigenlijk; ,,Die ontogenie ist eine Rekapitulation der Phylogenie". (Haeckel). Zij wordt de biogenetische grondwet genoemd. Misschien kon zij beter hypothese heeten, om al vast iets van hare stelligheid in te boeten. Deze regel is eerst van Meckel (1821), later door Von Baer naar voren gebracht. Een krachtige verdediging vond hij in Fritz Muller en Ernst Haeckel. Voorbeelden uit de zoölogie zijn vele aan te voeren. Een kikkerlarve is vischaöhtig, b.v.: zijdelingsche samendrukking; zwemstaart; kieuwen en kieuwspleet en kieuwdeksel; amphicoele wervels; zijdestreep enz. Volgens Haeckel is dit de palingenesis, waarvan de stamverwantschap de oorzaak is. Krijgt zoo'n kikkerlarve nog andere eigenschappen, zooals hechtorganen enz., dan noemt men dit de cenogene/sis. Voor zulke eigenschappen is geen parallel in 't rijk der voorvaderen te vinden. Ze zullen ontstaan door inwerking der Umwelt, zoo denkt men. Een ander voorbeeld: bij mannetiesherten spreekt men van spiesbok, gaffelbok, zesender, achtender enz., al naar 't aantal takken van het gewei. En dit hangt in 't algemeen van den leeftijd af. Een spiesbok is één jaar, een gaffelbok twee, een achtender vier jaar. Een parallel met dit verschijnsel levert de palaeontologie. In 't boven-mioceen vindt men steeds gaffelbokken; in 't begin-plioceen groote geweien en Leiden 1921. BIz. 45 en 308. En Dr. F. A. F. C. Went. Ondoelmatigheid in de Levende Natuur. Rede Utrecht. *) Besproken door Prof. Barge in 't Vakblad voor Biologen. 1921. No. 11.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1924

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 92 Pagina's

1924 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 42

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1924

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 92 Pagina's