1924 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 41
33 Zoo'n blad kan zich nu in verschillende richtingen differentieeren. Welke de oorzaak dier differentiaties is, is in vele gevallen niet te zeggen. We vinden dan vooreerst allerlei afwijkende vormen (ingesneden lamina's en samenstellingen), welke terug te voeren zijn tot den oorspronkelijken vorm. We zien het eene blad meer toegerust met een groote schijf, om verdamping mogelijk te maken (planten op vochtigen bodem); het andere met kleine schijf en dikken cutis on deze tegen te gaan (Xerophyten); het derde, zeer dik en vleezig, om vocht op te hoopen (vetplanten); nog andere toegerust om dierlijk voedsel te vangen (Nepenthes; Blaasjeskruid). Het eene blad draagt de sporen onder zijn lamina (Varen): het andere aan den bovenkant aan den voet (schub van een dennekegel); een derde aan den top van den nerf(?); (Pecopteris Pluckenetii). Het blad wordt tot een echt sporophyl en draagt aan den rand de sporen (Cycas) of vormt pluimachtige vormen (Osmunda) of wijzigt zich geheel tot mceldraad of stamper. De differentiatie mogelijkheid geeft eveneens de mogelijkheid tot verruiming van functie. Een blad kan tegelijk assimileeren enz. en als klimorgaan dienst doen (Gloriosa); de eerste functie kan het vereenigen met afweerfunctie door dorens (Hulst) of met een beschuttenden dienst (Lisch). Wijziging van functie kan ook heel goed optreden. Zoo is een blad nu eens een doren (Acacia), dan weer een rank (Vlinderbloemingen), Een anderen keer is de geheele funcie beschuttend (schutbladen) of 't blad bergt reservevoedsel in zijn corpus (bolschubben). Het vormt zich als bloembekleedsel en lokt door zijn kleur insecten. Het blad kan ten slotte functieloos worden. Verlies van functie ziet men in bet rudimentair orgaan: kleine s^hubjes aan ranken; steelblaadjes aan bloemsteeltjes; staminodia van helmkruid enz. Sommige kan men ontstaan denken door snellen en voortreffelijken groei van een nabijgelegen orgaan. In andere gevallen, zooals verloren of teruggegane meeldraden is misschien geen oorzaak op te geven. Het rudiment herinnert dan aan een stamverwanten vorm of voorvader, (Helmkruid-Labiaten). Men kan dus bij deze homologieën den oorspronkelijken vorm steeds terug zien, hoewel vaak moeilijk, wegens de verandering. De afstammingsleer alleen verklaart ze, als vervormingen van een eenvoudig oer-orgaan of oer-type. Plaatst men zich op een standpunt als het Linneaansche, dat de soorten geschapen denkt, dan verklaart men niet gemakkelijk deze homologieën en met name de rudimentaire organen geven moeilijkheden. In 't algemeen de ondoelmatigheden, waaronder de doellooze rudimenten, kunnen dan niet best begrepen worden'^j.
') Zie hierover Dr. A. Blink Kramer, Natuur en Openbaring.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1924
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 92 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1924
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 92 Pagina's