1924 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 82
6Ö
groep, dan de patiënt. Hieruit volgt wel zonder meer, dat men' voor elke bloedstransfusie consciëntieus de groepsreactie's moet verrichten. Af en toe komt het voor, dat men ook bij het uitblijven van agglutinatie en haemolyse in het reageerbuisje en onder het microscoop, toch nog alarmeerende verschijnselen bij den patiënt v/aarneemt. Gelukkig behooren dergelijke gevallen tot de uitzonderingen; maar zoolang ze mogelijk zijn, mogen wij een transfusie eerst verrichten, nadat de indicatie goed overwogen is en dan zeker met inachtneming van al de mogelijke voorzorgen. Interessant is het vaak te zien, hoe de bleeke lippen van den patiënt na de transfusie rood geworden zijn, hoe ook zijn algemeenc toestand na de transfusie verbeterd is. Kunnen wij nu met nauwkeurigheid de hoeveelheid haemoglobine en het aantal roode bloedlichaampjes berekenen bij een patiënt, waarvan deze waarden vóór de bloedstransfusie bekend zijn en waarbij een bekende hoeveelheid bloed getransfundeerd is, waarvan wij tevens het haemoglobine-gehalte en het.aantal roode bloedlichaamjes weten? Oppervlakkig beschouwd schijnt deze berekening zeer eenvoudig. Een patiënt heeft een zeker aantal roode bloedlichaampjes per m.M". en zijn totale hoeveelheid bloed wordt op ^/s van zijn lichaamsgewicht gesteld. De donor heeft een bekende hoeveelheid roode bloedlichaampjes per m,M^., terwijl de hoeveelheid bloed, die getransfundeerd wordt, eveneens bekend is. In de veronderstelling dat het vocht, hetwelk geïnjiceerd wordt, spoedig door den patiënt uit de bloedbaan wordt verwijderd, laat zich nu gemakkelijk berekenen, hoeveel roode bloedlichaampjes de ontvanger na de transfusie per m.M^ moet bezitten. Halbertsma pastte deze berekening toe bij zes gevallen van bloedstransfusie bij zuigölingen en bij vier gevallen kwam deze berekening uit, zoowel wat betreft het haemoglobine-getal als het aantal roode bloedlichaampjes per m.M^ Van der Hoff, die een uitvoerige cxperimenteele studie maakte van dit oogenschijnlijk zoo eenvoudige probleem, meent, dat deze goede uitkomsten bij Halbertsma op louter toeval berusten. Bij een dertigtal bloedstransfusie's telde hij de roode bloedlichaampjes vóór en na de overdracht bij den patiënt en bepaalde eveneens dit getal bij den gever. Het bleek hem, dat deze becijfering faalde, ook al hield hij rekening met het feit, dat menige gever aan het einde van de aftapping ongeveer 10 pCt. roode bloedlichaampjes minder heeft dan vóór de afname, omdat hij reeds tijdens de afname aan het verdunnen ging. Soms was de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1924
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 92 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1924
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 92 Pagina's