1929 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 26
18
I
I
I
I
'
niet vindt in de erkenning van een Almachtig, Alomtegenwoordig, fllwijs Wezen, zou dan monistisch te verstaan zijn geweest; geen hoogere macht, geen willende en werkende God zou lot en leven bepalen; maar dan zou het heelal voor ons staan „als één onmetelijk mechanisme, zonder doel, toevallig uit een oernevel ontstaan, voortrollende met ijzeren noodzakelijkheid van wet, hoe ook veranderende, in den grond steeds aan zichzelf gelijk blijvende, immer zinledig en doelloos". (Kohnstamm). En al gaf dan deze leer geen troost, het zou dan toch de waarheid zijn en men was bevrijd van een geloof in een God, Die telkens verscheen, als men met zijn beschouwingen over de natuur vastliep en Die daardoor als een onredelijk, tyranniek en onberekenbaar element in het wereldgebeuren gevoeld werd. Het behoeft niet te verwonderen, dat in zulk een natuurbeschouwing het begrip der doelmatigheid der dingen niet paste, ja als een groote ketterij beschouwd werd Doelmatigheid veronderstelt een denken vóór het handelen; eerst wordt het doel gesteld; dan worden de middelen tot het bereiken van dat doel bepaald en geordend; en eerst daarna treedt de actie in. Niet achteraf, maar vooraf ligt het essentieele van het gebeuren. Het resultaat is secundair. Primair is de idee. Daaraan worden de middelen dienstbaar gemaakt. Het geheel gaat vóór de deelen. Wie doelmatigheid zegt, erkent het bestaan van een ordenende macht. Maar hoe gaarne ook de moderne natuuronderzoeker deze opvatting uit zijn denken wilde elimineeren, op den duur werd het toch heel moeilijk haar geheel buiten beschouwing te laten. Zeker, er waren beschouwingen over de doelmatigheid der natuur, die zuiver op speculatie berustten In vroegere eeuwen had men meer gefilosopheerd dan geëxperimenteerd en had men conclusies getrokken, die bij nauwkeurig onderzoek geheel onjuist bleken te zijn. Allerlei fantastische voorstellingen maakte men zich omtrent de beteekenis der verschillende levensverschijnselen „De maag, de keuken van het lichaam, is om twee redenen niet dicht onder den mond gelegen. In de eerste plaats omdat het werktuig van den adem hooger moest wezen; als ook omdat de keucken wel diende lager te staan, opdat ze door haren reuck en roock de herssenen en sinnen niet en soude beroeren" (Burger). Zoo schreef Johan van Beverwijk, een van onze grootste 17de-eeuwsche geneesheercn. En in zooverre had de moderne natuur-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 98 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1929
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 98 Pagina's