Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1930 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 13

Bekijk het origineel

1930 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 13

2 minuten leestijd

7 Na het diluvium bleven van het landijs, dat ook in meerdere moreenen (steen- en puinwallen) sporen van zijn vroegere aanwezigheid achterliet, slechts kleine restanten op groote hoogte achter : de U zooeven genoemde fjeldgletschers. Ook thans nog zijn hun lengte en hun oppervlakte aan voortdurende verandering onderworpen. Vooral het onderzoek van Rekstad en ook dat van Öyen heeft bekendheid aan deze feiten gegeven. Eerstgenoemde kon aantoonen, dat van 1700—1750 de gletschers van West- en Noord-Noorwegen (op Jostedalsbra, Folgefonn en Svartisen hun oorsprong nemend) zich sterk uitbreidden. Sommige rukten 2—3 K.M. met hun front vooruit en verwoestten landerijen en boerenhofsteden. Daarna, van 1750 tot ± 1900, volgde voor de meeste (niet voor alle) een regressie, die van 1 tot 2 K.M. bedroeg; vervolgens na 1903 weder een progressie. Het behoeft geen nader betoog, dat deze vooren achteruitgang o.a. in nauw verband staat met de grootte der sneeuwhoeveelheden, die op de fjelden vallen. Op één of meer jaren van grooten sneeuwval, waardoor van boven-af de ijshoeveelheid in de gletschers toeneemt, volgt na r/j—3 jaar een grootere of kleinere progressie van het vooreinde van den gletscher. In 't algemeen vertoonen de gletschers van West-Noorwegen in hun af- en toenemen perioden van 18—20 jaar, d.i. ongeveer de helft eener z.g.n. „Brücknersche periode". Van het binnenland wenden we ons thans naar de kust, en de daarvoor gelegen eilandzwermen, de z.g.n skeergaarden. Sedert lang is de Noorsche kust bekend door de hier optredende strandlijnen en strandterrassen, op vele plaatsen voor ieder duidelijk waarneembaar. Onder „strandlijnen" (seter) verstaat men horizontale wegachtige insnijdingen in het vaste gesteente, die zich aan de kust van het continent, aan daarvoor liggende eilanden en de steile wanden der fjorden vertoonen. Hun lengte kan ','4, maar ook 20 K.M. bedragen. Zij komen voor tot op een hoogte van 180 M. boven den zeespiegel, vaak meerdere boven elkander en dan evenwijdig met elkaar. Zij zijn onafhankelijk van de gesteentesoort waarin zij voorkomen, en van de gelaagdheid daarvan, en vertoonen zich in het noordehjk deel van Noorwegen meer dan in het zuidelijk. Strandlijnen vertoonen geen polijsting, zooals die door gletschers uitgeoefend wordt, maar deze polijsting vindt men wèl, met de gletscherkrassen, aan de hellingen, waarin zij optreden. Men schrijft hun dan ook geen glacialen oorsprong toe, maar meent hun ontstaan te moeten verklaren uit abrasie,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1930

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 95 Pagina's

1930 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 13

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1930

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 95 Pagina's