Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1930 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 23

Bekijk het origineel

1930 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 23

3 minuten leestijd

17 kort bekend, om over eventueele uitbreiding iets te kunnen zeggen Maar èn deze twee en de bovengenoemde maken den indruk, zeer jong te zijn. Beyerinck neemt op goede gronden aan, dat Linnaea bij Hoogsveen eerst na 1888 is ingeburgerd. Is het voorbarig, daaruit te besluiten, dat Linnaea borealis in ons land geen relict uit den ijstijd, maar een pseudo-glaciaalrelict is? Ik meen van niet. Van Cornus suecica L. is hetzelfde te vermoedan, evenals van Triëntalis europaea. Wie deze beide subtiele planten kent, kan trouwens moellük den twijfel onderdrukken, of zij a priori wel in staat geacht mogen worden zich duizenden jaren te handhaven in een voor hen minder-natuurlijke omgeving, zoowel klimatologisch als botanisch. Voor Empetrum lijkt me dit iets anders : deze plant schijnt sterker georganiseerd. Zij komt b.v. ook op enkele plaatsen in Spitsbergen voor. o a. bij Ekman Baai en aan de oostzijde van Green Harbour. Zij draagt daar evenwel hoogst zelden bessen. Alleen in zeer gunstige, warme zomers, zooals in 1921, kan zij normale vruchten produceeren — iets, wat zij in Nederland geregeld doet. Zooals ik straks vermeldde, komt Triëntalis op /\meland en Terschelling o.a. voor. Zij is daar eerst gevonden resp. in 1924 en 1921, en op beide eilanden in aangeplante elzenboschjes Dit pleit voor groeiplaatsen, die jong zijn. Het lijkt dan ook niet waarschijnlijk dat Cornus suecica en Triëntalis echte glaciaalrelicten zijn In ieder geval is de kans zeer groot, dat we in beide met pseudo-relicten te doen hebben, en dat zij, evenals Linnaea, eerst in den laatsten tijd uit het Noorden zijn geïmporteerd. De vraag rijst dan, hoe deze aanvoer zou kunnen plaats gevonden hebben. Sipkes wees er reeds in 1922 op, dat we de mogelijkheid van overbrenging door vogels niet uitschakelen moeten (in verband met Linnaea). Prof. Weevers schreef in denzelfden geest in 1928 in verband met het voorkomen van Vaccinium vitis idaea en Vaccinium uliginosum op Vlieland; evenzoo Van Dieren ten opzichte van Vaccinium macrocarpon op Terschelling, hoewel hij er bij voegt „dat eenig positief bewijs voor deze opvatting ook nog niet is geleverd." Feit is in ieder geval, dat de jaarlijksche trek van lijsters en andere zaad- en vruchten-etende vogels uit Finland en Scandinavië over ons land gaat, en de gelegenheid tot verspreiding van vruchten en zaden uit deze landen in het onze alzoo bestaat. Het is verheugend, dat Nederland zich momenteel in het bezit van zulke vooruitgeschoven posten van Noorsch-arctische planten ver-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1930

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 95 Pagina's

1930 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 23

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1930

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 95 Pagina's