1930 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 19
13 daarbij uit. In vochtige, losse bodems geschiedt hetzelfde. Bedenkt men, dat het water in de capillairen van gesteente en bodem gemakkelijk onder-afgekoeld wordt, om bij bevriezing plotseling sterk uit te zetten, dan is in te zien dat bevriezing een sterk-vergruizende werking hebben moet. Högbom meent bovendien dat, de vorst des te krachtiger arbeidt, naarmate het klimaat strenger is. Bijzonder vatbaar voor verweering door vorst moet het gesteente aan de oostzijde der Groene Haven zijn. Het bezit, als alle sedimentaire gesteenten, laagvlakken Tusschen deze is vaak verschil in korrelgrootte, poreusiteit en watergehalte, waardoor gemakkelijk spleten ontstaan, die zich met water vullen en daardoor mooie aangrijpingspunten voor de vorst opleveren. Plaat- en scherfvormige verweeringsstukken vormen dan ook geheele puinhellingen. Nog meer door de vorst vergruizeld, vormen zij ten slotte een fijne, leemachtige massa, waarop zich plantengroei kan ontwikkelen. Is de helling, waarop het grovere of fijnere gesteenteouin ligt, vrij groot, dan bestaat er kans, dat de geheele bodemmassa door den invloed der zwaartekracht langzaam naar beneden gHjdt. Op enkele decimeters diepte bevindt zich n 1. op Spitsbergen het „eeuwig grond-ijs", (Eisboden = Tjale volgens Högbom). d.w.z het voortdurend in bevroren toestand verkeerende, diepere deel van den grond, dat een dikte heeft van 150—300 M, en een ondoordringbare laag vormt. Een gladde oppervlakte heeft dit grond-ijs, volgens gedaan onderzoek, niet. Maar smeltwater uit hoogere lagen verkleint de wrijving tusschen den üsgrond en de er op rustende bodemlagen, en zoo kunnen de laatste zich langzaam naar beneden verplaatsen, flndersson meende, dat deze afzakking begunstigd wordt door de plasticiteit van den vochtigen bodem; Högbom ziet ook een factor in het herhaald bevriezen en ontdooien van dezen, waardoor kleine bewegingen kunnen ontstaan. In ieder preval komen fluidaalstructuren algemeen voor (al zijn zij niet overal scherp waarneembaar) en is de sohfluctie (bodemglijding) op Spitsbergen een morphologische factor van beteekenis Een scherpe tegenstelling met het landschap ten oosten van de Groene Haven vormt het land om de Magdalenabaai. Op bijna 80 N B. dringt deze bocht in W.-O. richting ongeveer 11 K.M. Spitsbergen binnen. Met haar omgeving, die uit caledonisch geplooid oergesteente bestaat, vertoont zij een zuiver arctisch karakter, en bezit een grootsche schoonheid. Grijze en rose gneisen en granieten hebben
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1930
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 95 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1930
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 95 Pagina's