1931 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 13
9 Lotsy gaf als verklaring, dat de Oenothera's niet geheel het gedrag der bastaarden volgden, „de kernchimerie", d.i. in een reductie-proces, waarbij de chromosomen, afkomstig van ieder der gameten uit welke de betreffende Oenothera's ontstond, bijeen blijven, en deze niet als bij de bastaarden — dooreengemengd raken ^). In hetzelfde deel toont Dr. Sirks zeer sceptisch gezind te zijn tegenover het bewijs van De Vries voor de evolutie •"). In zijn handboek erkent Sirks de feiten, door De Vries waargenomen, maar verwerpt ten eenenmale diens verklaring : „De Oenothera's zijn organismen met twee of meer typen van voortplantingscellen". „Voor een spontaan optreden van een genotypische verandering in esn of ander organisme is op het oogenblik geen argument te vinden" '). Prof. Stomps *) schaart zich nog aan de zijde van De Vries, doch bij critisch lezen, blijft er toch weinig over dat tot verklaring der evolutie kan gelden. Van de Oenothera's houdt hij alleen de gigas voor een progressief type (pag. 85) en erkent dat de mutaties meestal een retrogressief karakter dragen en zonder twijfel de progressieve mutaties het zeldzaamst; „wellicht, dat de Papaver bracteatum monopetalum (een klaproos met vergrogid bloemkroon) als zoodanig mag worden beschouwd. Ook de gevulde chrysanthemum soorten". Zeker een pover resultaat. In zijn afscheidsrede erkent Prof. de Vries dan ook, dat in Nederland althans geen mutaties bekend zijn. Waarde wordt gehecht aan „Natural radioactivity and the origin of species" van Q. N. Lewis, doch met Dr. Drooglever Fortuyn stem ik in „dat zooveel kan wel worden gezegd, dat het vraagstuk der evolutie nog ver van een oplossing verwijderd is, ook al mocht in straling een der oorzakelijke krachten zijn gevonden" '). 4. De leer der erfelijkheid is naar analogie ook van toepassing voor den mensch. Dat deze het eerst gegrondvest is door onderzoek in het plantenrijk, ligt voor de hand. Eerst geleidelijk is gebleken dat ze ook van toepassing is in het dierenrijk. Daartoe werden voor het onderzoek gekozen dieren, die zich snel 1) 2) 3) 4) 5)
Dr. Dr Dr Dr Dr.
J. P . Lotsy. De O e n o t h e r e n als K e r n c h i m è r e n , genetica dl. I. M J. Sirks De Kritische p u n t e n v a n h e t evolutie v r a a g s t u k . M. J. Sirks H a n b o e k d e r algemeene erfelijkheidsleer 1522 pag 405 Th. J. S t o m p s Vijf en twintig j a r e n m u t a t i e t h e o r i e . A. B. Drooglever Fortuyn. Tijdschr. v. G e n e e s k u n d e 1931 pag. 301.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 88 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1931
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 88 Pagina's