1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 143
137 De microbiologie is meermalen een laatste redoute geweest van allerlei biologische theorieën, die langzaam maar zeker in dsn loop d^r geschiedenis zijn gevallen. Toen de generatie spontanea voor de zoölogie en botanie had afgedaan, heeft het nog tientallen van jaren gekost, voordat dit ook voor de microbiologie werd aangenomen. Niemand minder dan Gay Lussac heeft er zich nog met heel zijn wetenschappelijk vernuft voor gespannen om de generatie spontanea tegen Spallanzani en Pasteur in te bewijzen. En toen de constantheid der soorten voor de botanie door Linnaeus reeds meer dan een eeuw was vastgesteld, heerschte in de bacteriologie nog het oude geloof, dat eigenlijk alle microben variaties van één enkele soort waren, die ontstonden naar gelang van de uitwendige lactoren, waaronder ze leefden. Eerst Robert Koch heeft door zijn schitterend onderzoek vastgesteld, dat ook bij de microben een evengroote soortconstantheid heerscht als bij plant en dier. En nu ongeveer de laatste 15 jaar in de wetenschappelijke tijdschriften van anatomen, botanici en zoölogen het aantal artikelen over afstamming, atavisme en evolutie langzaam maar zeker tot nul is gereduceerd, de belangstelling voor dit onderwerp geheel is verdwenen, nu is het juist de microbiologie, waarin over het vraagstuk van de veranderlijkheid der soorten, over de overgang van de eene soort in de andere nog heftig gestreden wordt. Nu is de microbiologie ook een bij uitstek geschikt terrein voor proeven over dit onderwerp. We hebben hier te doen met betrekkelijk eenvoudige organismen, waarvan we de levensvoorwaarden en de levensverrichtingen vrij nauwkeurig hebben leeren kennen, en op duizenderlel wijze kunnen varieeren. Bovendien is de voortplantingssnelheid tegenover de hoogere organismen ongelooflijk. In een goed groeiende bacteriecultuur kan men iedere 20 minuten een nieuwe generatie verwachten, dat is dus 72 generaties per 24 uur. Geen wonder dat de aanhangers der evolutietheorie hebben gehoopt op dit terrein der oerdiertjes en oerplantjes het uiteindelijk bewijs van de veranderlijkheid der soorten te kunnen leveren. En wat zien we nu, als we de geschiedenis nagaan. Ten eerste, zooals ik reeds zeide, dat in het bijzonder door het werk van Koch en Pasteur kwam vast te staan, dat deze oerplantjes in zelfstandige zichzelf voorttelende soorten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's