1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 111
105 kwam er een moment, waarop het onderworpen werd. Niet vrijwillig; het heeft niet zelf de ijdelheid gezocht. Die onderworpenheid is geen resultaat van eigen streven. Eén, die macht over haar had, heeft het aan die ijdelheid onderdanig gemaakt. Daarmee kan niet gedoeld zijn op den mensch, want God mocht het lot der schepping verbonden hebben en het doen en het laten des menschen, macht om zelf de schepping te onderwerpen aan het verderf bezat die mensch niet. Evenmin had dat de Satan. /\an God Zelf alléén, die als Souvelein macht en recht heeft om over Zijn schepsel te heerschen en daarmee te doen wat Hij wil, kan hier gedacht worden. Zoo wordt dit vers een Nieuw Testamentischc herinnering aan wat Genesis 3 : 17 ons zegt. Met dit verschil, dat hier niet slechts van de aarde, maar van het schepsel, de natuur in het algemeen gesproken wordt. Die onderworpenheid aan de ijdelheid doet het schepsel zuchten en in barensnood verkeeren. Natuurlijk hebben wij hier met beeldspraak te doen; immers in den eigenlijken zin des woords kan men van de onbewuste schepselen niet zeggen, dat zij zuchten. Toch is het niet een moeilijk te verstane beeldspraak. In alle schepsel, ook in de onbezielde stof, heeft God gelegd de drang naar een zeker ideaal. Bijvoorbeeld de damp die bevriest heeft de neiging in zich, om zich te vormen tot een kristal van bepaalde gestalte. De boom van een bepaalde soort heeft de neiging cm zich te ontplooien zóó, dat de aan de soort eigene eigenschappen in vollen, ongerepten zin in hem verwerkelijkt worden. Zoo mogen wij aannemen dat het met heel het creatuur is. Maar nu komt de vloek Gods remmend, belemmerend tusschenbeide . Het schepsel kan niet komen daar waar het naar den hem ingeschapen drang wil zijn. Zoo komt er een toestand als bij den mensch, die zich tegengehouden ziet op den weg naar de vervulling van zijn ideaal en die nu gaat zuchten, klagen; maar dan een toestand, waarbij, onder de klacht, de spanning die er toe drijft om het ideaal vast te blijven houden, zich uit te blijven strekken naar de vervulhng, zich handhaaft zooals in de barensnood blijft, het zich strekken naar de verlossing, die men komende weet. Die spanning, waarin het schepsel, belemmerd in het bereiken van zijn ideaal, verkeert, is daardoor als het reikhalzend uitzien naar het oogenblik, waarin de belemme-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's