Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 146

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 146

2 minuten leestijd

140 om tot verandering der soort te komen. Nu kennen we bij bacleriën geen kiemplasma, geen chromosomen, geen pangenen. Bij een gedeelte dezer organismen heeft men verspreid in het lichaam kernstof kunnen aantoonen, bij een groot deel ontbreekt ook dit. Van een omschreven kern met chromosomen en pangenen is nooit sprake. Nu zijn er onder de door mij opgenoemde ziekten, die reeds duizenden jaren onder dezelfde vorm bij mensch en dier voorkomen, enkele, wier verwekker tot de zoogenaamde invisibele virussoorten behoort, b.v. pokken en hondsdolheid. Deze organismen zijn zoo klein, dat ze nooit, zelfs niet door het best gewapende menschenoog, aanschouwd kunnen worden, wier grootte te ver beneden de golflengte der voor ons oog waarneembare lichtstralen ligt. En ook voor deze onbegrijpelijk kleine organismen moeten we tot een soortconstantheid besluiten, die zich zeker over enkele duizenden jaren uitstrekt. Ook hier dus een ijzeren constant-zijn en dat in een groep organismen, die men zich van de kant van de aanhangers der evolutietheorie gedacht had als uiterst variabel, waarvan men alles kon verwachten, waaronder zich ook de oervormen bevonden, die men zich door generatio spontanea uit de zoogenaamde doode stof ontstaan dacht, een groep organismen door geen kern of chromosoom gebonden aan erfelijke eigenschappen, waarbij het geheele organisme is blootgesteld aan invloeden van buiten af en in zijn geheel gemakkelijk zoo kan muteeren of varieeren. Bij de bestudeering der wetenschappelijke denkbeelden op dit gebied, is er maar één slotsom, waartoe we kunnen geraken en dat is de constantheid der soort. En nu moet ik nog enkele woorden wijden aan den strijd op dat andere terrein der biologie : de palaeontologie c.q. anthropologie. En hierbij zal ik zoo sober mogelijk dienen te zijn, omdat dit gebieden zijn, die ik slechts theoretisch (door literatuurstudie) kan betreden en niet practisch. Men voelt dan hoe jammer het is, dat men maar één klein deel van een tak van wetenschap werkelijk practisch kan bewerken en hoezeer dit de waarde van een critische bespreking der gegevens van andere terreinen beïnvloedt. Toch geloof ik, op grond van hier kort door mij te resumeeren feiten, wel een oordeel te mogen uitspreken over de verhouding van de evolutietheorie tot de palaeontologie, in het bijzonder de palaeontologische anthropologie.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 146

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's