1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 89
83 den aardbodem niet meer vervloeken om des menschen wil, want het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijn jeugd aan en ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als ik gedaan heb". Hier heeft de vervloeking betrekking op één bijzonder geval, het verderf aangebracht door den grooten vloed. Een oogenblik komt bij ons de gedachte op, dat de vloek uit Gen. 3 over de aarde uitgesproken in principe hetzelfde beduiden zou als hier, maar dan profetisch voorzeggend en in beginsel aangekoxidigd. Is dit het geval, dan zou daarmee de algemeenheid van den vloek uit Gen. 3 komen te vervallen en zouden we van een vloek in de natuur niet mogen spreken, althans niet na den zondvloed. Maar we kunnen ook anders redeneeren en zeggen met Dr. R. Kuyper (Gem. Gratie I) dat dit goddelijke woord een stuiten van de doorwerking van den vloek beteekent, ook in de natuur. Zijn algemeenheid blijft dan gehandhaafd, maar God laat het verderf slechts spaarzamelijk toe om het leven van den mensch nog mogelijk te maken. Verder spreekt de profeet Jesaia in hoofdstuk 11 vers 6—9 en in hoofdstuk 55 vers 25 over de Nieuwtestamentische gemeente en hij drukt zich aldus u i t : „de wolf en het lam zullen te zamen weiden en de leeuw zal stroo eten als een rund en stof zal de spijs der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen, noch verderven op mijn ganschen heiligen berg, zegt de Heere." Uit de teekening van den heerlijken vrede onder de broederen zien we hier, dat Jesaia in den toestand der dieren van thans iets onharmonisch ziet. Hij vindt het met ons onaangenaam en stuitend, dat het wreede roofdier zijn prooi doodt. Dat hij hier de leeuw stroo — d.i. doode planten — laat eten en zoo toch in het beeld weer den dood inhaalt, is wellicht een bewijs, dat Jesaia hier niet iets voorspellen wil over den toestand van de dieren en planten in het vrederijk, maar eenvoudig zeggen wil, dat alles mooi en goed zal zijn. In Gen. 2 vers 15 geeft de Bijbel er aanleiding toe te vermoeden, dat er buiten den mensch in den paradijstoestand verkeerende, iets was, dat hem belaagt. /\dam toch moest den hof bewaren. Waarvoor bewaren? Het is dunkt ons duidelijk dat hier in verband met de verleiding des duivels uit Gen. 3 gedoeld wordt op de buiten God aanwezige daemo-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's