1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 87
81 Maar zij staan ons zoo ver af, dat het voor ons moeilijk is, iets aan te wijzen, dat vergeleken zou kunnen worden met wat we van aarde, dier en plant zeiden. Misschien zouden we kunnen wijzen op het vulkanische landschap op de maan; de zonnevlekken; de vallende meteoren en wat dies meer zij. Maar we willen dat niet doen en in ons betoog deze hemellichamen maar als minder terzake dienende passeeren. En nu moest eigenlijk ook de mensch aan de beurt komen; het wezen, dat door zijn daad van ongehoorzaamheid de oorzaak is van de zonde en haar droeve gevolgen. Van hem zouden we ook episoden van het leed en het lijden, dat in hooge mate zijn deel is, kunnen trachtexi te verhalen. Hij zou moeten vallen binnen het kader van onze beschouwingen, want hij behoort immers ook tot de natuur. Hij is in bouw en functie zelfs nauw aan de hoogere dieren verwant. Hij heeft dikwijls dezelfds behoeften en ondergaat hetzelfde lot in leven en in sterven De Prediker trof die overeenkomst : „Zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn op zich zelve; want wat kinderen der menschen wedervaart, dat wedervaart ook de beesten en eenderlei wedervaart hun beiden. Gelijk die sterft, alzoo sterft deze en zij allen hebben eenerlei adem en de uitnemendheid der menschen boven de beesten is geene, want allen zijn zij ijdelheid; zij gaan allen naar één plaats; zij zijn allen uit het stof en zij keeren allen weder tot het stof !" De mensch is dus deel van de natuur en toch behoort hij er ook weer niet toe. Dat blijkt immers al uit zijn ontstaan, waarvan we lezen in Gen. 1. Door een persoonlijke, wel omschreven daad Gods wordt hij geformeerd en reeds daaruit is af te leiden zijn eigenaardige en afzonderlijke plaats in de rij der levende wezens, van welke gezegd wordt, dat de aarde ze voortbracht. De mensch is ook bovennatuurlijk door de inblazing van den goddelijken geest in zijn neusgaten. We willen hier vasthouden aan het eenvoudig maar onbegrepen dualisme, dat de mensch bestaat uit lichaam en ziel. Het eerste behoort tot de natuur, de tweede is bovennatuurlijk en onsterflijk, al vatten wij niets van haar oorsprong, wezen en bestemming. Door haar staat de mensch evenwel boven dier en plant en hij kan maar niet zonder meer met haar vergeleken worden. Hierom willen we in verband met ons onderwerp, dat zich tot de natuur buiten den mensch wil
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's