1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 91
85 landschap niet in 's duivels macht, maar spreekt de afgrond tot den afgrond bij het geruisch van Gods watergoten. Dan is het God, die het land bezoekt en de opgeploegde aarde dronken maakt en het uitspruitsel zegent. Dan is in Gods hand het diepst van aardrijks ingewand. Dan vinden we het lied van de wolken, van de bergen, van de zee,, van het kruid en van de vogelen en is het een grootsch hallelujah! Zie het maar aan Ps. 104. Dan is het : „hoe groot zijn Uwe werken, o Heere. Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt". In 't boek Job vindt de schrijver in Gods schepping (buiten den mensch) niets onredelijks en hij durft zijn tegenstanders te wijzen op het grootsche en het verhevene juist in die natuur, om ze daarmee stilheid te leeren als ze klagen over des menschen lot en de regeering Gods. Nu eens is het de struis, dan het paard, straks de leviathan of de behomoth, die God moeten verkondigen. Nergens vinden we hier een heenwijzing naar eenige disharmonie. En Jezus, als Hij zijn hoorders wijst op de leliën des velds, die zoo schoon bloeien, verkondigt Zijns Vaders heerlijkheid. Het muschje zal zonder zijn vaders zorg niet omkomen, maar God voedt hetzelve. En eindelijk, de straks geciteerde Paulus wijst de zondige Romeinen op hetzelfde als hij zegt : „Want zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, zoodat zij niet te verontschuldigen zouden zijn". Daarvan is art. 1 van onze Ned. Gel. Bel. een getrouwe afspiegeling, als er staat : „Voor onze oogen is de natuur een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid". We zien dus : de Heilige Schrift geeft meer aanwijzingen in de richting, dat de natuur, in onzen zin bedoeld, is een afspiegeHng, een reflex van de deugden Gods, dan dat zij aan het verderf zou prijsgegeven zijn, zij het dan ook getemperd door genade, maar dan toch nog wel zoo erg, dat de mensch bij elke beschouwing van het natuurvoorwerp een blos der schaamte zou voelen opkomen, als uiting van de gedachte : zie, het werk van mijn God, dat ik bedorven heb! Van dit laatste niets in den Bijbel. Dat hooren we wel op sommige kansels van den tegenwoordigen tijd, die van vroeger misschien niet! Zoo vinden wij in Calvijn's Institutie, als ons onderzoek juist is geweest,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's