Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 72

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 72

3 minuten leestijd

66 lagen, wijzen ons op den massadood van ontzaglijk vele zeedieren. Op vele plaatsen is de aardkorst niets anders dan één groot kerkhof. En deze dieren hebben geleefd vóór de schepping van den mensch, dus vóór den val. Hoe moet men zich nu den dood in deze dierenwereld voorstellen? Ging de dood in dien tijd niet gepaard met angst en pijn? Men kan zich geen dier voorstellen zonder een door God ingeschapen drang naar zelfbehoud en zelfhandhaving. Zouden de dieren, die geleefd hebben vóór de schepping van den mensch, dus vóór den val, dan niet gevlucht zijn als ze bespeurden dat ze achtervolgd werden? Zouden ze niet gewaarschuwd zijn door een gevoel van onlust of pijn, als hun leven werd bedreigd? Onlust of pijn dienen om hun leven zoo mogelijk veilig te stellen. Is het noodzakelijk om alle pijn in de schepping uit te schakelen vóór den val van den mensch? Zou er niet vanaf de schepping van de dierenwereld een primair pijngevoel aanwezig zijn geweest? Ik denk hierbij aan de vloek, die God over Eva uitsprak : „Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dracht, met smart zult gij kinderen baren". Ligt in het woord „vermenigvuldigen" niet opgesloten, dat het pijngevoel reeds in elementairen vorm als een goede gave Gods in de schepping aanwezig was? De straf ligt niet in het wezen van het pijngevoel zelf, maar in het feit dat de smart zal worden vermenigvuldigd. Dr. Verloop zegt het paradijs op te vatten als een systematisch eiland in de natuur. Hij vraagt den heer Heidinga, of het vraagstuk der katachtige roofdieren niet kan worden opgevat als parasitisme. Deze dieren zouden dan eerst plantaardig voedsel hebben gebruikt, zijn langzamerhand meer geconcentreerd, dierlijk voedsel gaan gebruiken. Ran Ds. van iDijk merkt hij op, dat in de palaeontologie toch wel ideaaltypen te vinden zijn (b.v. de schildpadden in hun eerste verschijning). Hij stelt voor, omdat hij over deze zaak een eigen inzicht heeft, waarvan de discussie in aansluiting aan het reeds voorgedragene te wijdloopig zou worden, dit als bijlage in het orgaan te publiceeren. De heer Penning gevoelt met den heer Schouten het bezwaar, dat de anorganische schepping niet voldoende is beschouwd. De mogelijkheid van beschadiging is inhaerent aan het feit, dat de mensch uit stof is opgebouwd. Dit is moeilijk te rijmen met de ideale opvatting omtrent den paradijstoestand. De heer Verseveldt vraagt aan Ds. van Dijk, of wat

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 72

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's