1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 94
88 de aarde en alle natuurkrachten kampen tegen den zondaar voor de zaak van God. Dit kan nader bepaald worden, door te letten op de parallelismen uit Gen. 3 vers 17 en Gen. 5 vers 29. Daar is telkens sprake van den arbeid der handen, wat wijst op de verhouding van mensch tot de aarde. En tot Kaïn wordt gezegd : „de aarde zal u het vermogen niet meer geven". Blijkbaar bezit zij dit vermogen wel, maar de door de zonde veranderde mensch kan niet meer uit die aarde halen, wat hij in den rechtstaat zou hebben gekund. Het vloekwoord uit Gen. 3 zouden we kunnen opvatten als een Hebreewsche spreekwijze, een rethorische figuur, waarin het verderf, dat Rdam toekwam, op het middel, dat tot zijn verderf meewerkt, wordt overgebracht. Esn wijze van spreken, die wij in het dagelijksch leven ook wel ongeveer zoo kennen. Stel, een knaap speelt met een proppenschieter en mikt herhaaldelijk, tegen het verbod van zijn moeder, op zijn zusje. Eindelijk een treffen, huilen en misère en de moeder, boos, ontneemt den jongen zijn speelgoed en werpt het corpus delicti in de kast, onder den uitroep : Weg met dat vervelende ding. Of de dronkaardsvrouw is vertoornd op haar echtgenoot en ze spreekt verwijtend van de vervloekte drank of vervloekte flesch. In deze gevallen is noch aan den proppenschieter, noch aan den drank of flesch iets gewijzigd. Misbruikt zijn ze door een mensch met rede begaafd, maar zij bleven bij die handeling in hun wezen onveranderd. Wat zich wijzigt is de verhouding van den knaap tot de moeder en daardoor de verhouding van den knaap tot het speelgoed. Het geeft hem nu niet meer, wat hij er aan gehad zou hebben, als hij in gehoorzaamheid zijn speeluurtje had doorgebracht. Men vergeve ons deze vergelijking, die alleen duidelijkheidshalve door ons gegeven wordt; alleen om te demonstreeren, wat we bedoelen. Nu kan de bedenking gemaakt worden, dat de uitdrukging „om uwentwil" heenwijst naar een bepaald verband van den mensch en de overige natuur en dan een zoodanig verband, dat de val van den mensch de val van de natuur tengevolge moet hebben. Het is gewoonte onder ons geworden te zeggen, dat de mensch hoofd is van de schepping, zooals ons hoofd van ons lichaam een voornaam, zooal niet het voornaamste deel is, dat zelfs regelend en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's