1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 139
133 frappant de lagere vormen herkennen, die voorafgegaan moeten zijn : het eencellig stadium, het vischstadium, enz. En hoe begrijpelijk maakt ze voor ons de atavismen, het optreden van anatomische substraten, die we practisch nooit bij de onderzochte soort, maar regelmatig bij een lagere vorm aantreffen, deze herinneringen aan de voorouders der onderzochte soort in de dierreeks. Zoo staat de voor ons verstand moeilijk aanvaardbare Christelijke evolutietheorie ook in dit vierde punt lijnrecht tegenover de plausibele en zooveel verklarende Darwinistische evolutietheorie. Deze vier door mij naar voren gebrachte en in het kort belichte punten zijn voldoende om de scherpe tegenstelling tusschen deze twee evolutietheorieën te doen gevoelen. Ongetwijfeld zijn er nog meer verschilpunten aan te wijzen. Ris inleiding om beider positie te bepalen waren deze vier echter voldoende. Eén geschilpunt komt Ihans nog aan de orde, dat het meest kenmerkende en het zekerste is 2n aan mijn referaat ten grondslag ligt en dat ik dan ook uitvoeriger van verschillende kanten hoop te belichten. Dat is het punt van oorsprong van deze beide theorieën. Uit het voorgaande is reeds duidelijk, dat de Christelijke evolutietheorie haar oorsprong vindt in de Goddelijke openbaring en de moderne biol. in ons menschelijk waarnemen, onderzoeken en deduceeren. Ik heb in de inleiding beide theorieën geschetst als diametraal tegengesteld, als onvereenigbaar. En zooals ook nog in den laatsten tijd (ik wees U op de artikelen van 1931) de moderne biol. evolutietheorie wordt voorgesteld, is ze zonder meer onvereenigbaar met Gods Woord en onze belijdenis. Zoo gesteld kan het alleen de taak der Christelijke biologen zijn haar voosheid te bewijzen. Het probleem krijgt echter een ander aspect, als we ons wetenschappelijk gewonnen moeten geven door feitenmateriaal, dat voor ons menschelijk denken de mogehjkheid van evolutie in modern biologischen zin zou vaststellen, dat dus de mogelijkheid van wezensverandering en daarbij de opklimming lot een hoogere soort zou vastleggen. Dan heeft de Christelijke bioloog in samenwerking met den Christelijken theoloog na te gaan of de wetenschappelijke feiten en deducties ook door ons aanvaard kunnen worden, mits overgebracht in onze theocèntrische denkwijze.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's