Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 68

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 68

2 minuten leestijd

62 wildheid, zoogenaamde wreedheid, ziekte, dood, disharmonie e.a. 2. Deze voorstelling grondt zich voornamelijk op een bepaalde opvatting van twee bi^elplaatsen, n.l. Genesis 3, vers 17, 18 en 19 en op Romeinen 8, vers 18—24. 3. Critiek op de onder punt 1 genoemde voorstelling : a. De redelooze natuur (aarde, dier, plant, enz.) heeft niet overtreden en straf voor eigen kwaad draagt zij dus niet; de mensch als redelijk-zedelijk wezen zondigde en hij alleen verdiende straf. b. Er is niet een zoodanig organisch verband tusschen den mensch en de natuur, dat de laatste noodwendig met den mensch moest „vallen" en in vloek moest deelen. c. Aangenomen, dat de natuur de gevolgen van een vloek draagt, zoo moeten de veranderingen, die zij in dit geval na den val van den mensch onderging, zoo groot en diepgaand zijn geweest, dat men deze met een nieuwe schepping zou kunnen vergelijken; hetgeen in de Schrift geen grond heeft. d. De natuur is nog precies zoo, als zij door den Schepper werd voortgebracht — zoo heerschte de dood reeds in het paradijs, getuige het eten van planten, hetgeen vernietiging van leven beteekent; verder werd aan den eersten mensch de dood als straf voorgehouden, hetwelk bekendheid met den dood bij den mensch veronderstelt. e. De door den vloek veranderde mensch vindt in de onveranderde niet meer, wat hij in den paradijstoestand in haar. vond. De verhouding van den mensch tot God werd gewijzigd en daardoor zijn verhouding tot de natuur. Uit deze gewijzigde verhouding laat zich de in punt 1 genoemde disharmonie verklaren. f. Wat wij naar de voorstelling uit punt 1 gevolgen van den vloek plegen te noemen zijn noodzakelijkheden, voortvloeiende uit het leven en hiervoor dus onmisbaar. Zoo is de dood voorwaarde voor het leven en dus een scheppingsgegeven. g. Handhaving van de gewone opvatting van Rom. 8 vers 18—24 („dienstbaarheid der verderfenis") schijnt in strijd te zijn met het paradijsverhaal, waar we lezen, dat althans in het plantenrijk de dood heerschte. De gedachtenwisseling brenge hier helderheid. a.

STELLINGEN VflN Ds. Y/\N DIJK. Bij de beantwoordiging van de vraag óf de zonde van

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 68

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's