1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 137
131 Ten derde kent deze evolutietheorie een vast einddoel: de phase van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waar God zal zijn alles en in allen. Daarheen dringt en drijft alle gebeuren, daarvoor rijpt gansch dit heelal. En ten vierde gaat deze Christelijke evolutietheorie ons menschelijk denken ver te boven. Ja ze is voor het natuurlijk verstand onaannemelijk. Even onbegrijpelijk en wonderlijk is ze als de evolutie van een eikenboom uit een eikel, van een eicel tot mensch, al zijn we aan deze wonderen zóó gewend, dat we ons er niét meer over verbazen of ze onmogelijk vinden. Heel anders is de moderne biologische evolutietheorie. Bij Darwin komt het toeval, de uitwendige omstandigheid, al heel sterk naar voren in de wijze waarop hij de evolutie componeert. Veranderen de omstandigheden, waaronder een soort leeft in de een of andere richting, dan zal er individueele aanpassing plaats hebben. En die individuen, die zich het best hebben aangepast, die in de struggle for life overwonnen, zullen blijven voortleven en hun veranderde, aangepaste eigenschappen op hun nakomelingschap doen overerven. In de kiemplasmatheorie van Weismann worden eveneens toevallige prikkels, die het kiemplasma treffen, als de eigenlijke factoren aangemerkt, die de verandering van dit kiemplasma bewerken. Ook in de mvitatietheorie van De Vries is er de onbekende factor, die plotseling het aantal pangenen doet toenemen. Geen moderne biologische evolutietheorie zonder die onberekenbare factoren, die langzaam en geleidelijk of plotseling en volledig de veranderde soort doen ontstaan. En tegenover de door mij beschreven voorbeelden der Christelijke evolutie, waarbij, bij alle verandering, de wezensgelijkheid onbetwistbaar blijft, staat bij de moderne biol. evolutietheorie de wezensverandering in het centrum der theoretische constructie, — daarom is het begonnen, — om daartoe te kunnen besluiten, — om uit de aangevoerde praemissen deze conclusie te kunnen trekken. Men gaat uit van de vooropgezette gedachte dat wezensverandering noodzakelijk is om de onderlinge overeenkomst in bouw der schepselenreeks en de geleidelijke opklimming tot steeds hooger en rijker gedifferentieerde vormen te kunnen verklaren en voert dan allerlei feiten aan om die verandering theoretisch en practisch te bewijzen. En heeft men zoo een groot gedeelte der natuur in zijn theorie be-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's