1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 98
92 voelige grijpklauw, de sluipwesp de legboor wel hebben gehad, maar ongebruikt of voor een ander doel dienend. Zoo ongeveer dus als in den embryonalen staat waar deze wapenen al bestaan, wachtend op de belangrijke taak die hun straks wacht. We weten niet, of deze voorstelling niet zal kunnen leiden tot het aannemen van een soort onvolkomenheid of beter nutteloosheid van organen in den paradijstoestand — wat in strijd zou kunnen zijn m e t : „en God zag, dat het goed was". Wij willen ons daarom op veiliger standpunt plaatsen, dat wij gelooven, dat de natuur met hare wetten onveranderd voortbestaat, sedert de Almachtige ze tot aanzijn riep. De aarde beeft en hare korst scheurt; de steenrots, die in haar deelen het voedsel voor de plant herbergt, versplintert; het water lost de splinters op en het plantenvoedsel ligt gereed. De sneeuw van de woeste alp smelt af; het water sijpelt naar beneden, schuurt de rots uit, neemt het opgeloste plantenvoedsel mee en voert het naar de vlakte, waar de plant er door gevoed wordt. Boven de groote woestijnen hangt de heete lucht en boven de poollanden koelt zij af en er ontstaan luchtstroomingen die de regenwolken vormen en meevoeren en brengen naar de plaatsen, waar de planten groeien, die mensch en dier voeden. De woelende wateren brengen het slik van den zeebodem op het overstroomde land en de planten voeden zich er mee. Het kristal, dat zich begon te vormen, blijft onvolkomen; het ontbrekende is opgeëischt door de oplossingswet, want de plant had zijn deeltjes als groeistof noodig. De bevende aarde, de versplinterende alp, de gletscher, de woestijn, het landijs, de ruischende regen, de bergstroom, de woelige zee, zij zijn uitingen van Gods majesteit en van zijn groote wijsheid. Als zij er niet waren, leefde geen plant, geen dier en geen mensch. De vier paradijsrivieren, die het water aanvoerden in het paradijs, zij demonstreeren dit. Maar de natuurkrachten kunnen den mensch treffen Had hij niet gezondigd, dan troffen zij hem niet. Wellicht zou de hem gegeven heerschappij daarvoor te groot zijn. Het roofdier moet leven van levende prooi. De leeuw
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's