1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 109
103 een ander voorbeeld van een dergelijke taaifiguur te vinden is. Dr. Pohle geeft zich ook de minste moeite niet om te bewijzen, dat, wat hij beweert, waar is, men moet dat maar gelooven. Maar zoolang dat niet gedaan wordt bestaat er niet het minste recht om te eischen, dat men zulk een bewering, die zulk een fundamenteele uitspraak, als waarmee wij hier in Genesis 3 : 17 te doen hebben, het tegenovergestelde laat zeggen van wat er blijkbaar staat. Trouwens ook, wanneer men zich met deze bewering stelt tegenover de feiten, loopt men vast. Dr. Pohle gebruikt deze exegese om staande te kunnen houden, dat de verandering, die tengevolge van de zonde intrad, in hoofdzaak bij den mensch ligt en niet in de natuur. Voor den val vroor het wel geweldig, maar dan zei de mensch : lekker frisch weertje"; toen was het wel geweldig heet, maar de mensch zei: „kostelijk luw", enz. Maar als dat waar was, waarom zou God dan ook niet consequent zoo hebben gehandeld en in stee van doornen en distelen de overhand te doen verkrijgen over voedzaam gewas, den mensch niet zoo hebben veranderd, dat hij nist dan met de grootste moeite dezelfde vruchten, die hem vroeger voedden, tot geschikte spijze zou hebben kunnen maken? Ris God met Zijn Almachtige werking nist de natuur, maar alleen den mensch tot zijn verderf had willen treffen, dan had Hij in 't geheel geen veranderingen in de natuur behoeven aan te brengen, maar dan zou heel de vloek hebben kunnen bestaan in een verandering in den mensch, waardoor deze anders op de natuur zou zijn gaan reageeren dan hij vroeger deed. Maar nu God dat niet deed, maar ook werkelijk de natuur in onderscheidene dingen deed verwilderen, nu blijkt daaruit, dat God ook de natuur zelf heeft willen treffen —; en daaruit vloeit voort, dat de vloek in zijn werking ook niet beperkt behoeft te blijven tot de natuur, voorzoover de mensch daarmee in onmiddelijke aanraking komt. Duidelijker nog dan Genesis 3 : 17—19 spreekt in deze Romeinen 8 : 19—22. Want het schepsel als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods. Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft. Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Want wij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's