Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 70

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 70

3 minuten leestijd

64 Dit heeft de heer Heidinga zoo gezien : het kan geen degeneratieve factor zijn. Dit moet dus van den aanvang af zoo geweest zijn. De theoloog zegt, dat in de natuur is ingedrongen een negatieve factor, dat is de verwording. Deze beide standpunten zijn niet tot samenstemming gekomen. Dr. Qerbrandy vraagt aan den theoloog : waartoe diende in de wereld het paradijs? Het feit, dat er een begrensd paradijs was, zegt, dat het andere gedeelte van de wereld geen paradijs was. Wat denkt zich de bioloog sn palaeontoloog van faze tot faze teruggaand, de volgende uit de vorige af te leiden? Zijn studie komt terecht in de natuur buiten het paradijs De theoloog ontleent aan het paradijs zijn gegevens, er is toch ook geweest een wereld buiten het paradijs. Een tweede vraag is : is het noodzakelijk zich in te denken, dat de natuur buiten het paradijs in dezelfde harmonie verkeerde als in het paradijs? Is het niet mogelijk, dat de vloek in de natuur reeds verdisconteerd was in de schepping vóór den val? (Vergel. het offer van den Christus, dat reeds gold voor Rhel, die lang voor Christus leefde). De heer W. J. K. Schouten heeft zich verwonderd, dat de heer Heidinga niet over de fossielen heeft gesproken. Vast staat, dat de val in het paradijs niet langer terug ligt dan 10 a 12.000 jaren : hiermede is niet in overeenstemming te brengen, wat de fossielen leeren. Tegen Ds. van Dijk merkt hij op, dat diens verwijt, dat de heer Heidinga uitgaat van zijn natuurbeschouwing en zijn natuurkennis bij de interpretatie der Bijbelplaatsen, niet opgaat. Immers hetzelfde doet de theoloog, die ook rekening houdt met geographische en historische gegevens bij zijn exegese. Het lijkt den heer Schouten niet consequent en natuurkennis te dezen buiten beschouwing te laten. Ten tweede merkt hij op : Ds. van Dijk wil den vloek niet beperken tot de organische wereld (gaat hierin niet zoover als andere theologen), en zoekt ook in de anorganische wereld, b.v. woestijnen, verschijnselen van den vloek. Er zijn echter weinig gronden aan te voeren voor de meening, dat vóór den val geen woestijnen zouden zijn mogehjk geweest. (Ditzelfde geldt ook voor wat Ds. van Dijk opmerkte aangaande de kristalvorming). De heer Bult merkt op : In stelling b. zegt Ds. van Dijk, dat de schepping is verworden en lijdt als gevolg van den vloek. Onder lijden wordt natuurlijk ook verstaan en misschien wel in de eerste plaats : het lijden van pijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 70

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's