Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 110

Bekijk het origineel

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 110

2 minuten leestijd

104 weten, dat het gansche schepsel tezamen zucht en tezamen als in barensnood is tot nu toe. Laten wij eerst opmerken, dat hier geheel objectieï een feit geconstateerd wordt. Het gaat hier niet om een subjectieven indruk van den schrijver, die, zelf uitziende naar een betere toekomst, eigen zuchtend-reikhalzend uitzien overdraagt op de hem omringende wereld. Een dergelijke opvatting, van welk onderdeel dezer pericoop ook, is in strijd met de inspiratiegedachte. De apostel toch wijst op het verlangend uitzien van het schepsel naar een uiteindelijke verheerlijking, als op een voorbeeld voor de geloovigen, waaruit zij een prikkel moeten ontvangen voor eigen nimmer falend hopen; en tegelijk wil hij het hebben beschouwd als een bewijs, dat een verheerlijking in het einde ook werkelijk komen zal. Hoe zou dat kunnen geschieden onder inspiratie des Geestes, terwijl wat als voorbeeld en grond voor het hopen en verwachten der geloovigen wordt aangewezen, feitelijk niet anders was dan een spel zijner verbeelding. Maar nu de verklaring. Het middelpunt van heel deze pericoop is vers 20 : „Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om diens wille. Die het der ijdelheid onderworpen heeft". Met schepsel kan hier niet anders bedoeld zijn, dan de schepping buiten den mensch — „de natuur". De geloovigen kunnen niet worden bedoeld, want in vers 25 worden de Christenen met een „maar ook wijzelven" tegen het „schepsel" overgezet. De ongeloovigen kunnen niet zijn gemeend, want zij verlangen niet naar een uiteindelijke verheerlijking, wijl zij die niet verwachten. Han de heilige engelen kan niet worden gedacht, want zij hebben geen deel aan de ijdelheid. Van de duivelen kan natuurlijk geen sprake zijn. Het schepsel is de natuur. IJdelheid kan hier geen anderen zin hebben dan broosheid, vergankelijkheid, verderfelijkheid. Het schepsel is aan de ijdelheid onderworpen, d.w.z. daaronder geordend, zóó dat de ijdelheid over hem heerscht. Het is onderworpen. De aoristus hier gebruikt wijst niet op den toestand van het onderworpen zijn, maar op een moment in 't verleden, waarin die onderwerping heeft plaats gevonden. Het was niet onderworpen, toen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's

1933 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 110

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1933

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 174 Pagina's