1935 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 66
A4
> :>
N a t u u r k u n d i g e Sectie is het h a a r toekomende ten volle uitbetaald, ook in termijnen; de eerste op 26 Januari 1933, de tweede op 8 N o vember 1933. D a n is de kas voorloopig ledig en onze schulden zijn gedelgd. Eenige zeer achterstallige contributies over 1934, die ik maar niet heb kunnen innen tot nog toe, kunnen dan de basis vormen voor nieuwe kapitaalvorming. Deze laat ik echter met een gerust hart over aan mijn (nog) onbek e n d e n opvolger. Ik eindig dit verslag met de beste w e n s c h e n voor de geldelijke voorspoed der vereeniging en met groeten dank aan h a a r voor het vertrouwen, dat zij nu l7}/2 i^^^ 'ii rn'j ^Is penningmeester heeft willen stellen. N a a r aanleiding van dit verslag wekt de Voorzitter de leden op het O r g a a n krachtig te steunen door het inzenden van bijdragen. D e kascommissie, bestaande uit de H . H . G. J. Sizoo en R. L. Krans, brengt later, na nazien der aanwezige bescheiden, rapport uit en stelt voor den aftredenden penningmeester op de meest eervolle wijze te déchargeeren, onder dankbetuiging voor de vele diensten, door hem aan onze Vereeniging bewezen. D e n secretaris w o r d t opgedragen den heer Bruin den dank der Vereeniging over te brengen. Als nieuw lid w o r d t gekozen de heer N . W . van Neggelen, T a n d a r t s te ' s - G r a v e n h a g e . H i e r n a houdt de heer R. B R U M M E L K A M P , chirurg te A m sterdam, een voordracht: ,,Over het Causaliteitsvraagstuk". In de hierna volgende bespreking merkt de heer H U M M E L E N op: Ik heb met genoegen geluisterd: wil echter een enkele vraag stellen n a a r aanleiding der conclusie, die mij te kort voorkomt. W a n n e e r wij w o r d e n geplaatst voor een bepaalde handeling, hebben wij analoge factoren reeds vroeger ontmoet en richten d a a r n a a r ons handelen. Als dit voldoende grond is om de causaliteitswet voor de werkelijkheid te a a n v a a r d e n , dan w o r d t het onmogelijk om doelbewust te handelen. Bij de persoonlijkheid behoort toch een eigen houding tegenover de buitenwereld. In de tweede plaats heeft hij niet geheel begrepen, of de inleider het eens is met de opvatting Hymans~Hamilton. In de vakwetenschap heeft men te maken met het causaliteitsbeginsel. O p grond van de identiteit gelooft men aan de causaliteit. W a n n e e r 'wij met dit beginsel ons stellen tegenover een bepaald gebeuren, dat wij hierdoor fixeeren, dus abstraheeren van onze persoonlijken invloed op dat gebeuren, is dat indentiteitsbeginsel dan niet uitsluitend naar buiten gericht en veruitwendigd: is hier ook niet de verhouding van persoon tegenover werkelijkheid, en van werkelijkheid tegenover persoon? D e heer H . gelooft ook, dat een zekere aanvaarding van redelijk-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1935
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 93 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1935
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 93 Pagina's