1935 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 60
38 ( 'gegrepen, welke opmerking wij gaarne tot de onze willen maken, is het duidelijk, dat wij met ,,de werking R " niets anders willen a a n duiden dan de een of andere verandering in een bepaald stuk w e r kelijkheid N u is een veranderde werkelijkheid in vergelijking met zooals zi] eens w a s , een andere, waarin iets nieuws aan den dag treedt M e n mag dus mplaats van , werking R " evengoed schrijven ,,het optreden van een nieuw phenomeen", aan welke terminologie WIJ m het volgende de voorkeur willen geven V o o r ons verder onderzoek komt het er op aan, na te g a a n w a a r o p de algemeene geldigheid en dwingende noodwendigheid van onze hier boven geformvileerde onbewuste vooronderstellingen berusten V o l g e n s Hume, en Mill sluit zich hierbij aan, zou deze berusten op psychologische gronden, en te danken zijn aan onafscheidelijke associatieve verbanden, welke een product zijn eener ervaring zonder uitzonderingen Reeds bij de bespreking van Hume w e r d er op gewezen, dat een dergelijke verklaring nooit rekenschap kan geven van het besef der algemeene geldigheid en dwingende n o o d w e n d i g heid dat nu eenmaal tot het wezenskenmerk van het causaliteitsbeginsel behoort Is het met de ervaring, dan is het een inzicht, den mensch van nature eigen Dit is het standpunt, o a door Kant bij dit vraagstuk ingenomen Is dit inzicht een uitvloeisel van een of ander axioma en daaruit dus af te leiden, of staat het met deze op één niveau en is het evenals de logische axioma's uit niets anders afleidbaar, een beginsel a priori dus, dat aan alle ervaring voorafgaat en w a a r v a n de mensch bij het samenstellen en vormen van zijn ervaringen gebruik maakt Kant is deze laatste meenmg toegedaan, Hamilton, Herschel, Heymans e a zijn van oordeel, dat het causale axioma wel degelijk terug te voeren is tot een ander axioma en dat het zijn bestaansrecht op dit andere axioma fundeert D e Engelsche philosoof Sir W Hamilton heeft getracht alle verschijnselen van het causale d e n k e n op de grondvooronderstellmg terug te voeren, dat een werkelijk ontstaan of vergaan niet mogelijk IS ,,Ex nihilo nihil, m nihilum ml posse reverti". HIJ kleedt het probleem op de volgende wijze m , . W a n n e e r w e bemerken, dat iets ontstaat, zijn w e gedwongen door ons verstand, om aan te nemen, dat het een oorzaak heeft M a a r w a t beteekent de uitdrukking ,,dat het een oorzaak heeft'"? W a n n e e r we ons denken analyseeren, v m d e n we, dat dit beteekent, dat, wijl wij niet kunnen begrijpen, dat eenige existentie zoo maar vanzelf begint, WIJ veronderstellen, dat alles, w a t nu m een nieuwe verschijning ten tooneele komt, eertijds een bestaan heeft gevoerd onder anderen vorm W I J zijn onmogelijk in staat, in ons denken de mogelijkheid te reahseeren, van een vermeerdering of een veimmdering van het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1935
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 93 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1935
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 93 Pagina's