1936 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 120
)10 biologische species, ook al in tegenstelling met Linné, niet een vast onveranderlijk gegeven w a s D e kritiek op de kristallografie had toen inderdaad nog reden de vaiiaties m den kustalvorm van dezelfde chemische substantie kon men niet tot eenzelfde type teiugbrengen zoodat het weinig w a a r d e had er op te letten Z o o kon ook W a l l e n u s die zoowel chemische als physische en uitwendige kenmerken ter bepaling der species wil aanvaarden den knstalvorm vrijwel waardeloos achten In Linnaeus opvatting werkte eigenlijk Aristoteles' invloed nog door H e t hylemorphisme is ,,natuurhistorisch" ingesteld D e direct w a a r g e n o m e n v o r m " is alles, hij is een en ongedeeld Daarom geen ontledende waarneming maar totaliteitsbeschouwmg op het uiterlijk. Deze theorie, afkomstig van een bioloog, zijn voornaamste steun vindend m biologische argumenten, w o r d t in haar zwak getast als men gaat spreken over de verhouding der deelen tot het geheel Dit gebeurde vooral m de chemie w a a r de vraag naar het voortbestaan der elementen en naar de w a a r d e der chemische analyse steeds meer op den voorgrond kwam te staan H e t potentieel voortbestaan der elementen is reeds een verzwakking van het begrip Mistio N a a r m a t e voor het denken nu de materie zelfstandiger werd (vooral na 1600), won ook de chemische analyse aan belangrijkheid D e oorspronkelijke abstracte tegenstelling substantieele vorm— potentieel zijnde materie was m de natuurwetenschap reeds dikwijls die van een gemateriahseerden vorm (geest, spiritus) tot een zwak ,,gevormde" materie (lichaam, corpus aarde) Zij werd tenslotte die van een vormgevende stof (de , zouten ') tot een vormlooze stof (de , aarden ') Daarbij is dan de beteekenis der termen gewijzigd materie (hyle) is geworden tot een oersubstantie (ousia) terwijl de substantieele vorm verzwakt is tot den geometnschen vorm M e n gmg nu ook de aarden in soorten onderscheiden, zoodat een indeelmg mogelijk werd niet alleen naar de vormen maar ook naar het gevormde D e zich nu ontwikkelende mmeraalchemie begon haar invloed te doen gelden Cronstedt (1756), de pionier der chemische methode m de mineralogie bestreed reeds de opvatting dat de mineralen altijd zouten bevatten en langzamerhand vond dit ingang terwijl ook de knstalvormen beter w a a r g e n o m e n w e r d e n Linnaeus wijzigde zijn systeem dan ook herhaalde malen H o e ongelukkig zijn pogen op dit gebied ook uitgevallen moge zijn — hij kwam zelf tenslotte (1768) tot het inzicht dat mineralogie zijn sterke zijde niet w a s (hthologia mihi cristas non eriget) — hij heeft grooten invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van de kristallografie vooral op h a a r grondlegger Rome de Lisle (1736—1790), die oorspronkelijk (1772) dezelfde meening koesterde over bijgemengde zouten Door de intusschen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's