1936 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 105
95 dezelfde D a t is echter typisch-verschillende, individueele planten CU dieren bestaan en met slechts modaal bepaalde, wisselende levensverschijnselen w o i d t hierdooi veiklaard, dat de modale structuren der genoemde kringen door bovcn-modale, typisch gcdijlerentieerde mdwidualileits-siructaren worden overspannen Dat we b v m een bepaalden koolmees met een dier te doen hebben weten we, omdat het ladicaal-type van het dierenrijk, dat is het structuurtype hetwelk dit rijk bepaalt, alle functioneele structuren van dat wezen tezamen bmdt D a t we met een vogel, nader met een zangvogel, nog nader met een mees en tenslotte met een koolmees hebben te doen weten we, omdat de door het radicaal-type omsloten stam-typen van vogel, mees en koolmees, dat zijn de structuurtypen die de structuurbijzonderheden bevatten, de verschillende functioneele structuren bij dat diei tot een typische mdividuahteits-structuur koolmees genaamd, tezamen binden Deze structuurtypen nu, welke iedere mdividueele koolmees gelijkelijk vertoont, zijn m den tijd onveranderlijk, het zijn constante structuurwetten, die m de tijdelijke wereldorde ten grondslag liggen aan de variabele en veigankelijke mdividueele vormen, welke de onderscheiden koolmeezen vertoonen Zij houden deze vormen binnen de grenzen van het elementaire stam-type der koolmeezen De structuurbijzonderheden dezer typen zijn genotypisch, erfelijk vast Typologie noemt men tegenwoordig de wetenschap, die de biotische en de psychische structuurtypen, zoowel die van mdividueele planten en dieren als die van hun onderlinge verbanden en van hun afzonderlijke levensfuncties synthetisch beschrijft Zij stelt intuïtief meer of minder complexe typen van structuur-overeenkoms vast m de verscheidenheid der mdividueele vormen (b v het vogeltype, het zangvogel-type, het mees-type en het koolmees-type) Z o n d e r typologisch denken zou de typologische (of moiphologische) systematiek, die geen modaal functiebegrip doch een bovenmodaal typusbegiip als kennistheoretisch fundament heeft, niets bereikt hebben D e taak der typologische systematiek eindigt met de bepaling dei constante elementaire stam-typen van planten en dieren en de beschrijving hunner structuureigenaardigheden Z o n d e r de hulp der physiologie, oecologie en genetica is dit heden welhaast niet meer mogelijk, d a a r de verschillen tusschen de elementaire structuurtypen vaak uiterst subtiel gebleken zijn en zonder causale analyse (kweekproeven, kruisingspioeven) van variabele typen nauwelijks te onderscheiden W I J zagen dus aan het voorbeeld der koolmeezen, dat alle dieren, die onderling spontaan kunnen paren en dan als legel een fertiele progenicuur leveren, eenzelfde mdividuahteits-structuur vertoonen, gedifferentieerd m een aantal structuurtypen tot en met een elementair stam-type Niet gelijk echter zijn zulke dieren m het
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's