1936 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 106
96 vattabiliteits-tijpe, dat elk h u n n e i bovendien nog vertoont H e t vaiiabiliteits-type van een bepaald dier h a n g t ten nauwste samen met het milieu w a a r i n dat diei leeft, het bepaalt den slechts, voor een bepaald milieu typischen en dus vaitabelen vorm van het dier D e structuurbi)zonderheden van dit vaiiabihteits-type zijn van phaenotypischen aard, ze kunnen causaal worden begiepen uit de relaties tot het milieu, waarin de dieren die zoo n bepaald type vertoonen leven In den phaenotypischen m een bepaald milieu functioneerenden levensvorm van een bepaalden koolmees hebben w e te doen met een vergankelijke realisatie der genotypische mdividuahteits-structuur koolmees D e mdividueele vorm van een dier is dus een phaenotypische vervlechting van een bepaalde genotypische mdividuahteits-structuur met een bepaald milieu V o r m en functie zijn bij een bepaald dier niet van elkaar te isoleeren zij maken tezamen een functioneel systeem uit en een verandering betreft steeds dit systeem D e vraag n a a r het ontstaan der z g n soorten is m werkelijkheid een v i a a g n a a r het ontstaan der phaenotypen d z de m bepaalde milieus individueel gerealiseerde stamtypen van planten en dieren Dit is het vraagstuk der bio-morphologie of functioneele anatomie die gebroken heeft met de eenzijdige verklaring der organische vormen los van hun functies door ontwikkeling uit ideeele oertypen (idealistische morphologie) of uit hypothetische stamvormen (vergelijkende anatomie) Zij denkt niet formeel m star-statische vormen doch functioneel m dynamische biotische systemen Zij wil den vorm beschouwen in voortdurende correlatie met de levensfuncties D e levensontwikkeling op a a r d e is de ontwikkeling binnen een functioneele biotische structuur, zij is een ontplooiing van mdividueele vormen in een emdelooze verscheidenheid Deze laatste ontstaan en vergaan m het biotisch aspect van den kosmischen tijd binnen het raam hunner constante ordeningen D a t er tijdens deze levensontwikkeling herhaaldelijk nieuwe vormen van planten en dieren met andere structuurtypen dan de vroegere uit hun beginselen zijn gewekt ligt geheel m den zin der ontwikkelmgsgedachte W a n t deze onderstelt een aanvankelijk geschapen totaliteit van potenties die eerst d a a r n a w o r d t uitgewerkt m den tijd Er heeft hierbij echter geen soortverandering plaats, deze is principieel onmogelijk (zie onder) H e t is veeleer zoo dat de latere vormen potentieel m de vroegere zijn besloten en er onder bepaalde condities uit te voorschijn komen D e evolutietheorie is een mislukte poging deze vormenverscheidenheid van planten en dieren tot enkel functioneele werkingen te herleiden door eliminatie en der functioneele biotische structuur en der mdividualiteits-structuur Zij legt er allen nadruk op dat de soorten veranderlijk zijn dat ze m den loop der levensontwikkeling mm of meer geleidelijk m elkaar zijn overgegaan V o o r d a t
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's