1936 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 103
93 Wijsgeerig denken is kosmologisch denken, is totaliteitsbeschouwing van heel den tijdelijken kosmos. Hierin komen de christelijke en de humanistische wijsbegeerte geheel overeen. H e t onoverbrugbare verschil tusschen deze beide is echter gelegen in de opvatting omtrent den oorsprong dezer totaliteit. De tijdelijke werkelijkheid vertoont een aantal zijden of kosmische aspecten in een door de goddelijke wereldorde geregelden samenhang. T o t de taak der wijsbegeerte behoort het dezen samenhang te analyseeren en de mogelijkheid van vakwetenschappelijke b.v. biologische kennis in het licht te stellen. D e wijsgeer kan dit alleen doen door de wijsgeerige bezinnig op zijn zel[heid, die zich als totaliteit in den samenhang harer tijdelijke functies in iedere zijde der werkelijkheid uitdrukt. Mijn zelfheid moet echter deel hebben aan de totaliteit der tijdelijke werkelijkheid van een plant of dier, van welke totaliteit het biotische een functie is, wil ik van deze functie wetenschappelijke kennis kunnen verkrijgen. Alleen dan kan ik mijn logische functie in synthetische verbinding brengen met de door mijn zelfheid er theoretisch tegenovergestelde a-logische biotische werkelijkheidsfunctie (,,Gegenstand") en van deze laatste een biologisch functiebegrip verkrijgen. H o e kan ik nu met mijn zelfheid aan de genoemde totaliteit van een organisme deel hebben en mij op deze wijsgeerig bezinnen? Dit is slechts mogelijk, w a n n e e r mijn zelfheid in Christus vaststaat, wanneer ik in Christus ben en uit hem leef. W a n t in Christus heeft G o d de volle totaliteit van alle kosmische werkelijkheid ons geopenbaard. W e r e l d k e n n i s is daarom voor mij niet mogelijk zonder zelfkennis en deze beide zijn niet mogelijk zonder kennis Gods in Jezus Christus. Mijn zelfheid functioneert als een subjectieve totaliteit in den kosmischen tijd. In elk der aspecten van dezen tijd functioneert zij in onderworpenheid a a n een specifieke functioneele wet. Doch zij valt met geen mijner subjects-functies tezamen, noch met den samenhang dezer functies; zij ligt aan al mijn functioneele activiteit ten grondslag als de boventijdelijke wortel, als het hart, waaruit mijn tijdelijk functioneeren van moment tot moment gevoed wordt. Mijn zelfheid is geen ,,substantie", geen in-zichzelf-zijn; zij is een voortdurend afhankelijk-zijn van haar oorsprong: God. Al mijn tijdelijke activiteit moet — als ik goed sta voor G o d •— uit Christus ontspringen als den nieuwen wortel der herboren menschheid en staan onder de wet van den dienst van God; ook mijn c?e«A:-activiteit. Als diepere eenheid en structureel-bepaalde totaliteit gaat mijn zelfheid vooraf aan den tijdelijken samenhang harer kosmische functies, waarin zij zich uitdrukt. Elk vakwetenschappelijk functiebegrip als begrip eener bepaalde functioneele zijde der totaliteit moet d a n ook w o r d e n gefundeerd door de wijsgeerige idee der volle totaliteit. Een bepaald totaliteits-foe^np toch is steeds gevat in een bijzonde-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's