1936 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 117
107 principieel verschil lusschen de alcohohsche gisting en de werking van azi]n op soda Le M o r t (1688) beschouwde zelfs de azijnaaltjes als anorganische verschijnselen, het zijn slangachtige deeltjes, door een subtiele materie bewogen. T o c h kwam ook aan de cartesiaansche roes een einde M e n kreeg het onprettige gevoel dat het mogelijk is bij allerlei verschijnselen achteraf een mechanische verklaring te bedenken, die echter met dringend noodwendig is Bovendien bleef een mathematische formuleermg der kinetische theorie uit, zoodat zij niets strenger w a s dan de scholastieke In het begin der 1 Se eeuw zien we dan ook een herlevend empirisme gepaard gaan met een terugkeer tot het oude qualitatieve systeem m de chemische phlogistontheorie van Stahl, in de physica w e i d de uitsluitend kinetische verklaring verdrongen door het dynamisme der N e w t o n i a n e n D e „biologismen' treden weer meer naar voren Daarbij komt, dat de 18e eeuw ook de eeuw van opbloei voor de natuurlijke historie is M e n denke slechts aan de allesbeheerschende figuur van Linnaeus (1707^—1778) en aan Buffon T o t het gebied der natuurlijke historie rekende men behalve zoölogie en botanie ook de mineralogie D e beschrijvende en systematiseerende delfstofkunde w a s daarom een deel van elk werk over natuurlijke historie, zij w a s dus meer het domem van biologen dan van scheikundigen Angstvallig vermeed men het natuur- en kunstproducten le verwarren de mmeraloog hield zich slechts bezig met de mmeralogische species zooals de natuur die oplevert, de chemicus paste gewelddadige ontleding en vereenigmg toe Hij begaf zich op een ander terrein hem interesseerde meer nog de samenstelling ( stofscheider") dan de totaliteit H e t spreekt dus vanzelf, dat de mmeralogische systematiek niet zooals tegenwoordig een chemische, maar een natuurhistorische was N a a r uiterlijke eigenschappen, welker waarneming de stof zelf niet verandert vond de r a n g schikking plaats D e invloed der biologie op de mineralogie blijkt nu ten eerste m de vorming van het begrip der species en in de rangschikking d a a r van Hier komt het statische het substantiebegrip naar voren, dus hier zou men ook een soort hylemorphisme eventueel kunnen verwachten T e n tweede blijkt die invloed ook m de verklaring van het ontstaan, de genesis der individuen, het dynamische, het functioneele komt hier sterker uit, we kunnen hylozoisme m verschillenden graad verwachten T o t hylozoisme leidde de kiistalgioei Dit verschijnsel heeft zooveel overeenkomst met den groei van lagere organismen, dat sommige biologen de verleiding niet konden weerstaan er een uitmg van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1936
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 192 Pagina's