1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 173
169
Aarzelend en slechts ongaarne zal aan God een plaats ingeruimd worden in deze menschelijke systemen, die „niets niet-weten! En daarom kan Pascal het Descartes niet vergeven: „hij zou zoo graag in zijn heele philosophie het zonder God gedaan hebben, maar hij heeft niet kunnen nalaten Hem een vingerknip (chiquenaude) te laten geven om de wereld in beweging te brengen; daarna heeft hij met God niets meer te maken” (fr. 77). De natuurbeschouwing zou den „dogmatischen” mensch zijn zekerheid over zichzelf moeten ontnemen. Als zijn verkeerd gerichte wil zich niet verzette zou dit besef van leegte, dit verlies der valsche zelfverzekerdheid, hem tot God kunnen drijven. Dit is het „indirecte” wijzen naar God door de wetenschap, juist in haar begrensdheid en onmacht! W e zagen echter, dat Pascal den menschelijken hoogmoed en trotschen wil sterker acht dan Pascal’s betoogkracht en dat, indien God’s genade den wil niet ombuigt, hoogstens een aarzelende en gereserveerde toestemming, als regel een optimistische houding („we zijn er nog niet heelemaal”) het gevolg zal zijn. Inderdaad: de toren bouwers van Babel laten zich niet ontmoedigen en met denzelfden haast aandoenlijken ijver bouwen zij een nieuw systeem op de puinhoopen van het oude. 2.
God en d e Natuur.
W ijst nu de natuur ook niet direct, op meer positieve wijze naar God? -—' Dat is nu juist het verontrustende: „Waarheen ik ook kijk in de natuur, ik vind slechts duisternis en reden tot twijfel en on rust”, zegt Pascal als hij den mensch. die God zoekt, sprekend in leidt. „Zag ik niets dat op een Godheid wees, dan zou ik dus kunnen ontkennen; zag ik overal de merkteekenen van een Schepper, dan zou ik in vrede rusten in het geloof. Maar ik zie te veel om te ont kennen en te weinig om zeker te zijn: ik ben in een beklagenswaardigen toestand; als er een God is, die de natuur onderhoudt, dan wenschte ik wel, dat dit ondubbelzinnig te kennen gegeven was of anders liever alle merkteekenen ontbraken” (fr. 229). Deze ongeloovige is Pascal blijkbaar sympathiek; hij is de eerlijke agnosticus. Maar nu komen de godsdienstige menschen en als zij de ongeloovigen toespreken „is hun eerste hoofdstuk de Godheid te bewijzen door de werken der Natuur” (fr. 242). „Ik bewonder de stoutmoe digheid waarmee die menschen het ondernemen over God te spre ken”, zegt Pascal. „Ik zou mij er niet over verbazen als zij zoo tot de g e lo o v ig e n spraken, want voor hen is alles wat zij zien het werk van den God, dien zij aanbidden. Voor hen echter in wien dit licht gedoofd is en die toch in de natuur naar licht zoeken, is slechts duisternis te vinden. Tegen hen te zeggen, dat zij slechts het gering ste der dingen om ons heen behoeven aan te zien, om God duidelijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's