1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 168
164
alles te begrijpen. Maar we hebben experimenteele gegevens aller eerst te aanvaarden, ook al zijn zij onbegrijpelijk. W at onbegrijpelijk is. houdt daarom nog niet op te zijn; dat is Pascal’s diepste over tuiging. 2. De grenzen d er wiskunde. Ook in de wiskunde handhaaft Pascal zijn grondstelling, dat wij het onbegrijpelijke moeten aanvaarden. W e zien dit bij de behande ling van het oneindige in „De 1’esprit géométrique”: „Omdat men zich oneindige deelbaarheid niet kan voorstellen, meent men, dat die ook niet kan bestaan. Maar de mensch is geneigd te ontkennen wat onbegrijpelijk is. Het is een natuurlijke ziekte van den mensch te meenen, dat hij steeds de waarheid direct bezit, terwijl hij uit zichzelf eerder tot de leugen geneigd is. De Rede kan dus het oneindige niet bewijzen, maar zij kan wel bewijzen, dat de ontkenning ervan onjuist is. Dan is de eerste meening, hoe onbegrijpelijk ook, toch waar” (IX, 259). Het bewijs der waarheid moet hier dus noodgedwongen vervangen worden door de ontkenning der dwaling! Pascal vervalt daarmede niet tot irrationalisme; neen, de Rede zelf moet erkennen, dat oneindige deelbaarheid voor haar slechts onbegrijpelijk, haar tegengestelde —• de eindige deelbaarheid — echter niet alleen boven-redelijk, maar ook anti-redelijk is. Zoo vraagt Pascal zich af: „kunnen twee indivisibilia elkaar raken?” Raken zij elkaar overal, dan zijn zij identiek; raken zij elkaar niet overal, dan hebben zij dus deelen. Deze stelling is even onbegrijpelijk als de andere, „laat men dus erkennen, dat wij niet door ons vermo gen om de dingen te begrijpen hebben te oordeelen over hun waar heid, want hoewel deze twee tegengestelden beiden onbegrijpelijk zijn, is toch noodzakelijkerwijs zeker, dat één van de twee waar is”. Het oneindig groote en kleine worden door Pascal dus op dezelfde wijze behandeld als de onverklaarbare feiten in de natuur; zij zijn voor hem ook „faits naturels” (fr. 231): „Laat dit „effet de nature”, dat u van tevoren onmogelijk leek, u doen weten, dat er nog andere kunnen zijn, die gij nog niet kent”, zegt hij bij de behandeling van een dergelijke kwestie en hij laat er op volgen: „Trek nu niet de conclusie uit uw leertijd, dat er u niets te weten overblijft, maar juist dat u oneindig veel te weten overblijft” (fr. 231). Dat is wat voor de volgelingen van Descartes en van Aristoteles, den „meester van allen, die w é t e n ”. Zij worden weer in de schoolbank gezet (apprentissage!) en dat terwijl zij meenen zoo ver gevorderd te zijn in hun rationeele wereldverklaring. De titels van hun werken, zooals ..De omni scibili” en „Des prin cipes de la philosophie” (vgl. Descartes: Principia philosophiae, 1644) zijn volgens Pascal reeds aanmatigend (fr. 72). Juist de be ginselen zijn het, die wij eenvoudig te aanvaarden hebben, die door veel gepraat eer verduisterd dan verhelderd kunnen worden. „Onze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's