1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 75
71 N a deze uitvoerige inleiding zullen we er toe overgaan, alle in het kort aangeroerde punten met meerdere volledigheid te bespreken. I. W at betreft de attractiekracht, als qualitatief verschijnsel.
Natuurlijk mag Newton niet als de ontdekker van de attractie ,,an sich” worden beschouwd. Beschouwingen over de aantrekkings kracht der aarde zijn reeds te vinden bij de Grieksche filosofen. Aristoteles kent aan het element „aarde” een natuurlijke, ingebo ren tendenz toe om naar het middelpunt van de v/ereld, dus naar beneden te streven. Evenzoo aan het element „vuur” om naar boven, dus van het middelpunt af te bewegen. De beweging van de over blijvende aardsche elementen is afhankelijk van de omstandigheden en de omgeving. Lucht in water stijgt op, lucht in vuur daalt.’. Al deze natuurlijke bewegingen van aardsche elementen zijn recht lijnig n ) . Aristoteles houdt steeds een scherpe scheiding tusschen aardsche en hemellichamen, vooral ook wat de natuurlijke beweging betreft. Bleek de natuurlijke beweging voor de aardsche lichamen rechtlijnig, voor de hemellichamen bleek zij cirkelvormig. Dit brengt hem dan in de noodzakelijkheid om voor de samenstelling der hemellichamen een vijfde element in het leven te roepen, de aether. Vöor Aristoteles is dus de beweging der hemellichamen geen „probleem” maar een natuurlijke ingeschapen bewegingstoestand. Evenmin de valbeweging. In overeenstemming met zijn opvatting, dat alle zware lichamen naar het middelpunt van de wereld streven, plaatst Aristoteles de aarde zelf in dit middelpunt. W at de grondleggers der moderne astronomie betreft, Copernicus spreekt slechts zeer terloops over de zwaartekracht in zijn hoofd werk: „De revolutionibus Orbium Coelestium”, Liber I, Caput 9 12), waar hij zegt: „Ik voor mij neem aan, dat de zwaarte niets anders is dan een zeker natuurlijk streven, door de goddelijke voorzienigheid van den Formeerder des heelals aan de deelen ingeplant, om door vereeniging in bolvorm een geheel te vormen. Het is aannemelijk, dat dit streven ook zetelt in de zon, de maan en de andere planeten, opdat zij door zijn uitwerking in den bolvorm blijven, waarin ze zich vertoonen.” Men mag echter niet, zooals von Humboldt in zijn Kosmos 13) heeft gedaan, uit deze uitspraak opmaken, dat Copernicus hier reeds aan a lgem een e aantrekkingskracht heeft gedacht. Immers hij spreekt niet van het streven van de hemellichamen om tot elkaar te naderen, maar alleen van de deelen van een z elfde lichaam, om zich met elkaar te vereenigen. Ofschoon dus het Aristotelische standpunt nog niet voor 100 % verlaten is, ten eerste omdat ook voor Copernicus een lichaam valt, omdat het zich niet bevindt op de plaats, waar het van nature behoort te zijn, en omdat hij ook op het punt van de natuurlijke bewegingen, zooals uit een andere plaats in zijn geschrif ten bleek 14), geheel het standpunt van Aristoteles innam, toch is er
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's