1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 112
108
werkzame doorsnede van de atoomkern voor het absorptieproces in veel gevallen een buitengewoon groote waarde te hebben. Zoo bezit de groep, die in zilver de activiteit van 22 sec. verwekt, en door Fermi als de A-groep werd aangeduid, in Ag een absorptie coëfficiënt van 20 cm2/g Ag, waaruit voor de Ag-kern een werk zame doorsnede van 1200 X 10 24 cm2 volgt. Van dezelfde kern bedraagt voor de C-neutronen de werkzame doorsnede slechts c.a. 50 X 10 24 cm2. Naast de A-groep onderscheidden Fermi e.m. in de restneutronen nog de D-groep, die de resonnantie neutronen van Rh (44 sec.) en grotendeels ook die van In (54 min.) omvat, verder de J-groep, die de resonnantie neutronen van Jodium (25 min.) omvat en tenslotte de B-groep, welke die neutronen bevat, die c.a. 0.5 g/cm2 Ag door dringen en in Ag matig absorbeerbaar zijn (u = 0.3 cm2/g A g). Deze laatste groep omvat waarschijnlijk o.a. de resonnantie neutro nen van Ag (2.3 min.). Een belangrijke vraag was natuurlijk die naar de energieën, die aan de verschillende groepen moesten worden toegeschreven. Om deze vraag te beantwoorden pasten Amaldi en Fermi de methode toe, die ongeveer gelijktijdig door Frisch en Placzek, zoowel als door Weekes, Livingstone en Bethe was aangegeven, en thans gewoonlijk als de borium-absorptie-methode wordt aangeduid. Deze methode berust op de overweging, dat bij een reactie, waarin een langzaam neutron wordt opgenomen en een a-deeltje uitgezonden, geen, al thans slechts zeer zwakke resonnantie zal optreden en dus de absorptie-kans voor het neutron slechts van den verblijftijd in de omgeving van de kern zal afhangen, m.a,.w. dat de absorptie coëfficiënt voor langzame neutronen in een element, waarin zulk een reactie optreedt, omgekeerd evenredig met de snelheid zal zijn. Boven werd reeds opgemerkt, dat men bij borium met zulk een geval te doen heeft. Men kan dus de verhouding tusschen de energieën der verschillende neutronengroepen vaststellen door de absorptie coëfficiënten in borium te meten. Stelt men nu de energie der Cgroep gelijk aan die der warmtebeweging, dan kan men ook de absolute waarden der energie voor de andere groepen vinden. Langs dezen weg vonden Fermi e.m. voor de energieën van de D, A, B en J-groep resp. 1.6, 4, 7 en 36 eV wanneer die der C-groep gelijk aan 0.037 eV werd gesteld. Een andere methode om de energie der groepen relatief te bepalen berust op de meting der activiteit die verschillende indicatoren ver krijgen, wanneer zij gebracht worden op verschillende afstanden van de neutronenbron, geplaatst in een zeer groot vat met water. Deze activiteit blijkt, als men voor het kwadraat van den afstand corri geert, aanvankelijk toe te nemen met den afstand en daarna weer af te nemen. Het maximum ligt voor de C-groep bij c.a. 10 cm. voor de D-groep bij c.a. 7.5 cm, voor de A en B-groep bij c.a. 7 cm en voor
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's