1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 26
22
Als we nog eens even overzien, dan constateeren wij met Hesch (1934) voor N.W.-Europa een groote waarde voor p. die in Oostelijke en Zuid-Oostelijke richting kleiner wordt. Maar een zelfde groot bedrag komt ook voor in Australië, Polynesië, bij de Aino’s en de Japanners. Ook in Noord-Afrika is dit zoo en bij de Efé-Pygmeeën (Julien. 1935), evenals op de Philippijnen en bij de Bosjesmannen. Bij de laatste twee groepen is B echter klein, daar entegen bij de Pygmeeën is het B-gehalte zeer hoog. Hooge B-waarden hebben ook vele Oost-Aziaten, behalve de Japanners. Australië is ongeveer vrij van B. Berbers en Arabieren zijn armer aan B dan de Negers, die een hooge waarde voor q bereiken; ook de Egyptenaren zijn weer zeer rijk aan B. In Australië en Zuid-Afrika (b.v. Bantoe-Negers) komt R zeer veel voor en dit bereikt zijn maximum in Amerika, waar het bij zuivere Indianen de 100 % vrijwel kan halen. Uit deze feiten blijkt ten duidelijkste, dat het niet mogelijk is om met behulp van de verhoudingsgetallen van de bloedgroepen zich een overtuigend beeld te vormen van den samenhang der verschil lende menschenrassen, wanneer hun classificatie is gebaseerd op de gebruikelijke eigenschappen. Ook Eugen Fischer (1936, pag. 239), de groote Duitsche anthropoloog en geneticus, is overtuigd van de onmogelijkheid om overeenstemming te vinden tusschen de verdeeling van de erffactoren voor de agglutinogenen en die voor haarvorm, neusvorm, lichaamsgrootte en pigmenten. Toch veroorzaken de het eerst genoemde factoren naar mijn meening kenmerken, die ongetwijfeld van den eersten rang zijn en welker beteekenis door hun zeer wetmatige erfelijke verdeeling op zich zelf niet hoog genoeg kan worden aangeslagen. Betrekken we nu ook nog de groepen M en N in onze beschou wingen. dan blijkt het volgende. De verhouding der geengetallen s (voor de groep M) en t (voor de groep N) is merkwaardig genoeg voor allerlei bevolkingen vrijwel eender. Overzichten daarvan geeft S. Wellisch in het Zeitschrift für Rassenphysiologie. Tot 1936 waren hierover systematische onderzoekingen gedaan bij Duitschers, Franschen, Belgen. Denen. Zweden, Italianen. Polen, Russen. Fin nen. Blanken en Negers uit New-York. Japanners, Javanen en Soendaneezen. bij een klein aantal Indianen en bij Pygmeeën. Voor al deze groepen (met uitzondering van de Indianen en bij de OostIndische bevolking) is s vrijwel = 5.5 en t = 4.5. Er is een kleine schommeling, maar < 5 en > 6 is het geengetal voor de groep M toch nooit. De uitzondering in de verdeeling. die de Indianen vor men, komt duidelijk aan het licht door een onderzoek van Landstelner Levine te New-York verricht bij 205 Noord-Amerikaansche Indianen, bij wie de groep M veel meer schijnt voor te komen dan N. 123 waren MM 10 NN en 72 MN; dat is dus resp. 60.00 %. 4.88 %
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's