1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 144
wordt deze, na invoering eener factor x in het tweede lid: 410 = x, 1084. (252/302) 5/9, waaruit we voor x berekenen x = 0.2525 = 34Vroeger hebben we gezien, dat de cephalisatie der Anthropomorphen (p. 127) gelijk is aan 34 van die van den Mensch. Berekend uit de femurmaten komen we tot een gelijkluidende conclusie. Deze uitkomst geeft steun aan het vermoeden, dat de voor Pithecanthropus uitgevoerde berekening van het cephalisatie-niveau eveneens juist zal zijn. Overzien we het besprokene, dan laat zich dit in het kort aldus samenvatten: Het gewicht der hersenen, resp. de schedelcapaciteit, is o.a. afhankelijk van twee factoren. De eerste factor is de lichaamsgrootte. Als maat voor de lichaamsgrootte mogen we kiezen het lichaamsgewicht (dieren); de stamlengte (menschenrassen) of be paalde femurmaten (fossielen). Het hersengewicht is niet lineair, doch volgens een zekere macht van deze lichaamsgrootte afhankelijk. Bezigen we het lichaamsgewicht (of het draagvermogen der femora), dan moet deze grootheid tot de 5/9 macht worden verheven: bezigen we de stamlengte, dan dient de 5/3 macht te worden aangewend. De tweede factor wordt bepaald door het hersenorganisatorisch niveau (cephalisatie-niveau) waarop de beschouwde soort staat. Deze tweede factor blijkt binnen groepen van verwante soorten sprongsgewijze te varieeren volgens geheele machten van V 2. Alle tot dusver onderzochte, huidige en fossiele organismen, hetzij mensch of dier, zijn aan dezen algemeenen regel onderworpen. Deze regel draagt dus wel een universeel karakter. De hierboven beschreven sprongsgewijze variatie der hersengroei vindt zijn oorzaak in een sp ro n gsgew ijz e gr o ei d er kernmassa d er zenuw cellen. Blijkens literatuurdata en eigen onderzoek komt een kerngroei, ongeveer gelijk aan een V” 2-voud, veelvuldig in de natuur voor. Deze merkwaardige groeiwijze der kern berust waarschijnlijk op algemeene grootteverhoudingen tusschen kern- en celplasma. Generale deelingsprocessen zorgen er voor, dat de totale kernmassa der schorscellen dienovereenkomstig bij benadering sprongsgewijze, volgens geheele machten van V 2 varieert. Een uitvloeisel van deze generale deelingsprocessen is de evenredige oppervlakte-, resp. volumen-variatie der verschillende schorsdeelen bij verwante soorten. Door oppervlaktemeting, resp. volumebepaling van homologe schorspartijen (gebezigd werden de schors van de frontaalkwab en de rest der neocortex), kon inderdaad een even redige groei der schorsdeelen, bij Apen en Mensch, worden aan getoond. Voor uitvoerige gegevens over deze macroscopische en microscopische verhoudingen, waar men teven s d e betreffende lite ratuur kan vinden, zie men o.a. B r u m m e 1k a m p. R.: Normale en abnormale ontwikkeling der hersenschors, Uitg. N.H. Uitg. Mij 1937; id.: Über das Verhaltnis der Oberflache des Frontalhirns zu
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's