1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 15
11 Groepen :
M
N
MN
Geenfrequentie ;
s2
t2
2 st
Uit de frequentie van de groepen M en N vinden we dus die var; de genen als: s = V M en t = VN. Vindt men b.v. ergens 30 per sonen M, 20 N en 50 MN, dan volgt hieruit: s = V 0.30 = 0V55 en t = V 20 = 0.45. s + t moet natuurlijk steeds de waarde 1 heb ben. Drukt men het voorkomen van M en N uit in %, dan wordt s + t = 10. De theoretische waarde van s + t = 10 wordt in de practijk ge regeld zeer dicht benaderd. Afwijkingen, die niet binnen de foutengrenzen blijven kunnen natuurlijk veroorzaakt zijn door het ongelijk matig gemengd zijn van de uitgangsbevolking. Bij de overerving van de groepen O, A en B bleek het wat inge wikkelder te zijn. Het is niet voldoende om hier één paar erffactoren aan ten grondslag te leggen, zelfs niet twee (b.v. voor A en niet-A. B en niet-B), maar de mathematicus Bernstein voerde in 1924 een erfschema in waarbij 3 verschillende genen betrokken zijn. Hier hebben we te doen met een zeer mooi geval van multiple allelie, ook elders uit de genetica welbekend. Bij het optreden van dit laatste verschijnsel wordt een serie van erffactoren naast elkaar aangeno men, waarbij in het eene chromosoom van het bij elkaar behoorende paar slechts één dezer genen voorkomt, in het andere chromosoom een tweede. Bernstein nu heeft voor de groepen O, A en B het be staan van een serie van 3 erffactoren aangenomen, die worden aangeduid met de letters R (voor de groep O), A en B. De combi naties in één chromosomenpaar, dat na bevruchting in één zygote bij elkaar is gekomen, kunnen dus zijn RR, AR, AA, BR. BB en AB. Zijn er dan 6 verschillende bloedgroepen? Genotypisch wel. maar phaenotypisch zijn AR en AA niet van elkaar te onderscheiden en evenmin BR en BB. De eigenschappen A en B zijn beide namelijk dominant over de eigenschap O; echter bestaan wel A en B naast elkaar voort. Er blijven dus alleen de 4 bekende bloedgroepen over, waarbij echter wel bedacht moet worden, dat de genotypische struc tuur van iemand, die b.v. tot groep B behoort, zoowel BB als BR kan zijn. In de practijk der bloedgroepenbepaling maakt dat niets uit. daar men van R niets merkt. Alleen de combinatie RR resulteert phaenotypisch met de groep O. De onderverdeeling in A ^ en Ao laten we hier verder buiten beschouwing; Thomsen (1932) vond echter de mogelijkheid de reeks multiple allelen uit te breiden tot 4 en de volgende erffactoren aan te nemen: R. A], Ao, B, waarbij de eigenschap voor de groep A ( dominant is over die van Ao en Ao
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's