Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 55

1 minuut leestijd

51

Ptolemaeus verdedigt, beroept hij zich op het natuurlijk licht der rede, dat eischt, dat het Gode waardiger is dat alle bewegingen uit één bron vloeien dan dat de zon aan een onedeler lichaam (de aarde) zijn beweging zou ontleenen 4<i). W at verstaat Kepler nu onder dit „natuurlijk licht”? Kennen is voor hem het wiskundig, het meetkundig kennen, want materie is ruimte. ..M ensurare est scire": meten is weten 47). De wiskundige rationeele verhoudingen in hun schoonheid en harmonie leggen getuigenis af van hun Maker. Maar wie garandeert ons. dat wat wij als waar, schoon, eenvoudig en harmonisch ervaren nu inderdaad per se, a.h.w. in God’s oog. dit ook is? W ie waarborgt dus de volstrekte waarheid van onze kennis? Hoe kunnen wij zeker zijn. dat het geometrische kennen het hoogste is? Dat indien eenerzijds wij als de hoogste wet der natuur de meetkundige wetten vin­ den en anderzijds God bij de schepping Zichzelf in de natuur heeft willen uitdrukken, wij nu de gevolgtrekking mogen maken, dat God’s Wezen geometrisch is? Hoe weet ik dus zeker, dat, verondersteld dat God’s Wezen in de natuur uitgedrukt is -—^ ik nu ook in staat ben dit te leeren kennen? Hier kojnt Kepler’s theologisch-wijsgeerige overtuiging naar voren, dat God den mensch zóó geschapen heeft, dat hij ware kennis kan verkrijgen, dat hij ons niet in het duister wil laten. Alles schiep God naar de normen der quantiteit, zegt hij, dus heeft God den mensch een geest gegeven, die deze ook begrijpen kan 48). Zooals het oog voor de kleuren en het oor voor de geluiden, zoo is de menschelijke geest niet voor iets willekeurigs, maar tot het verstaan der quantiteiten geschapen; hij merkt een ding juister op naarmate het dichter staat bij de naakte quantiteiten (die er de oorsprong van zijn); hoe verder het er van af staat, hoe meer fouten en duisternis insluipen 49). Onze geest brengt door zijn eigen natuur zelf de begrippen mee tot onderzoek van die Goddelijke dingen, die door het praedicament ..quantitas” opgebouwd zijn (dus tot de materieele schepping behooren!); wordt dit in hem bedorven, dan kan hij slechts door nega­ ties definieeren 50). De verleiding komt op hier aan te nemen, dat Kepler op neokantiaansche wijze zou meenen, dat wij in de natuur slechts de wet­ ten van onze eigen (mathematische) geest kunnen vinden, dat daarmede dus geen ontologische realiteit gekend behoeft te wor­ den 54). Niets is echter verder van hem. Hij is realist; hij vindt quantitatieve verhoudingen in de natuur, dus is deze het werk van een wiskundige. Dit is voor Kepler geen vroom aanhangsel, dat desnoods gemist kan worden. Kepler wil geen God naar ’s menschen beeld aannemen 52). Neen omgekeerd: de mensch is naar Göd's beeld. Daar ligt de oorzaak van ons kenvermogen. De ideeën der quantiteiten zijn van eeuwig-

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's

1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 55

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939

Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's