1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 36
32
immers indenken hoe een zoodanige verbreiding van Centraal-Azië naar Vuurland is tot stand gekomen. Hetzelfde geldt voor de ver klaring van de hooge Amerikaansche O-groepgetallen. Tegen de beweerde vroegtijdige afscheiding van dit werelddeel vóór de bloeddifferentiatie plaats vond. zijn zonder veel moeite bezwaren te ont wikkelen. Wanneer zulk een vroege afscheiding zou plaats gevon den hebben in het begin van de geschiedenis der menschheid. dan zouden de Indianen een zeer oude bevolking moeten voorstellen, die ook in hun lichaamsbouw nog primitieve kenmerken zouden vertoonen. Dit nu is toch niet het geval. Bovendien zien we dat in volks stammen. die juist algemeen als oud en primitief erkend worden, zooals b.v. Australiërs, een aanzienlijk gehalte aan A gevonden wordt, evenals bij Bosjesmannen, die ook nog 7.5 B bevatten, om van de Pygmeeën maar niet te spreken. Het is niet in te zien waarom de Indianen, indien deze óók vroegtijdig van de rest van den menschelijken stam afgesplitst waren, deze bloedgroepen niet zouden moeten bezitten. Wanneer de gebruikelijke anthropologische onderscheidingen in aanmerking genomen worden is er voor zulk een hypothetische, vroege afsplitsing van Amerika geen reden van bestaan. Hier wreekt zich het evolutionistische uitgangspunt, waarbij men theorieën opbouwt vanuit de idee van een primitieven toestand met niets dan O-bloed. Het gevolg is. dat de verbeelding hoogtij moet vieren. Een bevolking van Vuurland is met een uitgangspunt van 100 % bloedgroep O niet te verklaren. Ook het open laten van de mogelijkheid van het ontstaan van A over den ganschen aardbol, behalve in Amerika, doet zeer naief aan en is onbevredigend. W ij meenen niet zelf een andere of betere oplossing van dit pro bleem te geven. Het vraagstuk lijkt ons voorloopig geheel onoplos baar, maar wij willen wel als onze meening te kennen geven, dat een toepassing van de beginselen der descendentieleer op dit terrein geen verheldering van inzicht brengt. Aan te nemen, dat in de menschheid vanaf den beginne de verschillende bloedgroepen aan wezig zijn geweest, heeft dan ook niets minder onmogelijks of on waarschijnlijks dan de tegenovergestelde opvatting. Het is voldoende daarvoor uit te gaan van een menschenpaar met de genotypische structuren AR en BR. In hun directe nakomelingen kunnen dan alle vier de groepen direct aanwezig zijn geweest. Tegelijk met de ove rige anthropologische differentiaties (huidskleur, haarvorm, schedel vorm etc.) hebben 'zich dan de bloedgroepen over de menschheid verdeeld. Ook een autoriteit als Eugen F ischer (1936) geeft vol mondig toe: ..Wenn aber alle Blutgruppen bei den menschenahnlichen Affen vorkommen, ist die Annahme dass der Urmensch eine einzige Rasse gebildet habe, und dann die einzelnen spateren Rassen gewisse Blutgruppen selbstandig erworben hatten, nicht mehr und nicht weniger wahrscheinlich als die, dass schon von
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's