1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 171
167
doet den mensch duizelen. De aarde is slechts een punt in ons zonne stelsel, dat slechts een punt is in het heelal, voorzoover wij het kun nen waarnemen. Hier houdt onze waarneming op, maar de gedachte gaat verder; de natuur reikt evenwel nog veel verder dan onze stout ste verbeelding, „elle se lassera plutöt de concevoir. que la nature de fournir”. Een ander wonder: het kleinste insect heeft pooten, met aderen, daarin bloed, daarin vochten, daarin droppels, enz., en het kleinste dat wij ons kunnen voorstellen is weer een nieuwe afgrond, wellicht een nieuw zonnestelsel. Ons lichaam, dat niets is ten op zichte van het heelal, is tegenover het oneindig kleine zelf een heelal. Zoo zweven wij tusschen twee afgronden, het oneindige en het niet, en wie zich hier goed van bewust geworden is, zal sidderen voor deze wonderen en ,,ik denk dat zijn nieuwsgierigheid in bewondering zal veranderen, zoodat hij eerder geneigd zal zijn hen in stilte te beschouwen dan hen met aanmatiging te doorvorschen”. . De mensch kent slechts het midden, in eeuwige wanhoop het begin en het einde der dingen te kennen. Doordat men deze beschouwingen achterwege laat, is de mensch de natuur gaan onder zoeken alsof hij er evenredigheid (proportion; het Duitsche „Angemessenheit”) mee had” (fr. 72). „Hij heeft de begin selen der dingen willen begrijpen om. daarvan uitgaande, er toe te komen alles te kennen, door een aanmatiging, oneindig groot als haar object, de natuur” (fr. 72). Klaarblijkelijk denkt Pascal hier weer aan de deductieve wetenschap, die meent, dat wij de beginselen der natuur door de rede kennen en daarvan uitgaande nu alle verschijnselen kunnen begrijpen. Duidelijk stelt Pascal er zijn inductieve opvatting van de wetenschap tegenover: „alle wetenschappen zijn oneindig in de uitgestrektheid van hun nasporingen. ook de wiskunde”, zegt hij Dan moet het ook inderdaad onmogelijk zijn, alleen reeds daarom, dat wij een volledige kennis kunnen bereiken, want „als wij onszelf beschouwen, zien wij, dat ons begripsvermogen in de orde der Intelligibele dingen denzelfden rang heeft als ons lichaam in de ruimtelijke natuur” (fr. 72) en daarom liggen het oneindig groote of het geheel zoowel als het oneindig kleine of het niet buiten onzen gezichtskring. Steeds, als wij een fundament gelegd hebben, vraagt ook dit weer om een fundament: „elk eindpunt, waaraan wij ons willen vasthech ten, breekt onder ons af, ontsnapt aan onzen greep, ontglipt ons en vlucht met een eeuwige vlucht (il échappe a nos prises, nous glisse et fuit d ’une fuite éternelle). Dit is onze natuurlijke toestand, maar juist deze is het meest in strijd met onze neigingen; wij branden van verlangen een stevige basis te vinden om er een toren op te bouwen die tot in het oneindige reikt. M aar het fundament scheurt en de aarde opent zich tot den afgrond” . Hier schildert Pascal op voor treffelijke wijze het eeuwige zoeken van den mensch om te begrij
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's