1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 33
29
In de eerste plaats wil ik deze tegenwerping maken, dat hier fundamenteele waarde toegekend wordt aan een veronderstelling. voor welke daarna geen bewijzen worden geleverd, of die slechts maar aanneme lijk wordt gemaakt, n.1. het bestaan van het agglutinogeenvrije oerras. En in dezen slappen bodem Iaat Bernstein dan zijn idee wortelen van de mutaties A en B, mutaties niet met een verlieskarakter, maar van zeer progressieven aard. Het zou niet gemakkelijk vallen het bestaan van veel progressieve, controleerbare mutaties in de recente planten en dierenwereld aan te toonen. W at men nog bereikt in dat opzicht wordt teweeggebracht door zeer krachtdadige, buitengewone mid delen, als b.v. Röntgenstralen. Voor reeds uitgestorven wezens is het natuurlijk geheel onmogelijk hiermede nog iets te bereiken. De van te rijke fantasie getuigende veronderstelling van Bernstein over deze mutaties lijkt mij het gevolg van de verlegenheid, waarin iemand raakt, die niet vanaf den oorsprong der menschheid de aanwezigheid van beide agglutinogenen A en B wil aannemen of mogelijk achten. Hiermede wordt geen bevredigende voorstelling bereikt. Een tweede bezwaar komt aan het licht, wanneer men zich een oogenblik op evolutionistisch standpunt stelt. W il men aannemen dat de mensch is voortgekomen uit aapachtige voorouders, dan is het voor de theorie van een menschelijk oerras met de eigenschap O wel zeer fnuikend dat bij menschapen reeds alle drie agglutinoge nen (n.1. A. B en AB) gevonden worden. Volgens de bedoelde op vatting zou bij het ontstaan van het eerste menschenras dus een verlies van erffactoren voor de reeds bij apen bestaande bloedgroe pen hebben plaats gevonden. W ie zou willen trachten zich uit deze moeilijkheid te redden door te beweren, dat de gemeenschappelijke voorouders van mensch en anthropoiden allen tot de O-groep be hoorden en dat in beider ontwikkelingsreeksen door mutaties in gelijke richting de A- en B-eigenschappen zouden zijn gevormd, moet het wel zeer betreuren dat aan de resten van Pithecanthropus geen serologische factoren meer kunnen worden opgespoord. Die alleen zouden nog als bewijsstukken kunnen dienen. Onze landgenoot julien (1935) voert een nieuw bezwaar aan tegen Bernstein's theorie. Deze auteur verwijst naar de uitkomst van zijn onderzoek van de Efé-Pygmeeën, „die zich onderscheiden door een uiterst laag O-cijfer !). De Centraal-Afrikaansche dwergen komen daardoor wel in een zeer eigenaardig licht te staan. Met eenig recht beschouwt men hen als anthropologisch primitieve vormen en dan is het wel zeer merkwaardig te moeten vaststellen, dat een der primitiefste volken der menschheid zich, wat zijn bloedbeeld betreft, v erd er van den oertoestand zou verwijderd hebben dan de overgroote meerderheid der somatisch en cultureel hooger ontwikkelden.”1 1) Een even laag O-cijfer, met wat meer A en wat minder B. vond Gusinde (1936) bij de Aka-Pygmeeën, uit een naburig gebied.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's