1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 58
54
zijn afleiding apriori gaat hij uit van de H. Drieëenheid. W el moet men volgens hem door onderzoek der natuur tot lof en aanbidding van den Schepper komen, maar juist zijn geloof, dat hij in de natuur het werk van God’s vinger zou zien, gaf hem de volharding, die leidde tot dat natuuronderzoek en tot zijn beroemde wetten. Bij Kepler is de richting juist andersom dan bij Jeans. Het mathe matische in den mensch ontleent hij aan het beelddrager-Gods-zijn en daarom durft hij óók in de natuur de menschelijke (dus ook de Goddelijke) wiskunde te zoeken. „Niet alsof de mensch door „na tuurlijk licht” kan beredeneeren wat het gebouw des hemels past en daarom de Bouwmeester op deze menschelijke regels let. maar omdat Hij die regels uit Zichzelf genomen heeft bij het bouwen van de wereld, daarom kan Zijn beelddrager bij het onderzoek (ratiocinando) geen andere vinden” 72). Men ziet hier duidelijk, dat het „natuurlijk licht” niet vrijmachtig een wereldorde schept. Een vrije wilsbeschikking van God heeft het in staat gesteld de Goddelijke wereldorde door aan waarneming gebonden redeneering te vinden. Er blijft bij Kepler een zekere vaagheid; het repareeren van plato nische voorstellingen heeft hem belet tot een geheel zuiver en dui delijk standpunt te komen. Maar toch tracht hij als geloovige, ondanks historische belemmeringen, uit te gaan van God naar den mensch. Jeans ging uit van den mensch om dan tot een God te komen naar eigen ideaal, naar eigen beeld. Slotbeschouwing.
Kepler was een geloovig Christen, die om zijn overtuiging schade geleden heeft. Toch zijn de heidensche Renaissance-invloeden ook bij hem merkbaar. In dogmatische kwesties was hij eenvoudig en kinderlijk; aan zijn orthodoxie werd niet getwijfeld. Meermalen merkt hij op, dat de heidensche philosofen (waarmee dan vooral Plato bedoeld is) en de leeraars der Kerk in „deze beschouwingen” overeenstemmen. Dit is iets dat men algemeen geloofde 73); het bezwaar van de tijdgenooten gold dan ook niet zijn algemeene spe culatieve grondslagen, maar de praktische uitwerking ervan in het heliocentrische systeem. Men meende, dat dit in strijd was met de H. Schrift 74). Niet in opzet, wel in resultaat is hij echter niet geheel er aan ontsnapt zich God naar eigen beeld, als wiskundige, in te denken. Dat de mensch vooral als wiskundige de beelddrager Gods is, is een willekeurige, op aesthetische gronden rustende stelling. Hoe ver het beelddrager-zijn gaat kan door „natuurlijk licht” niet meer gezien worden. Uit ons zelf hebben we hoogstens een vaag besef, geen kristalheldere zekerheid, welke vlekken het beeld vertoont. Kepler heeft hier de deur open gezet voor theosophische speculaties. Zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's