1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 158
154
een verschijnsel ontstaan kan, als men de materie, de natuur en de eigenschappen van zijn oorzaak onderstelt, vooral als zij zoo zijn uitgerekend, dat uit hetgeen zij onderstellen, waarheden volgen, die reeds evident waren" (II, 98). ..De grootste moeilijkheden, zooals eb en vloed en de magnetische aantrekking, worden gemakkelijk opgelost als men aparte materies en eigenschappen erbij gaat den ken” (II, 96). Inderdaad voegen deze fluïda niets nieuws toe aan het geconstateerde feit. Het zijn slechts overbodige woorden om onze onwetendheid over de oorzaak van een verschijnsel te bedek ken. ,,De verbeelding”, zegt Pascal, ,.schept de kleinste en de groot ste dingen naar behoefte” (II, 96). Nu zeggen de „plenisten”: toon ons maar eens aan, dat die sub tiele materie er niet is. Pascal antwoordt: toon, dat zij er wèl is. ,,W ant al die materies, die voor de gelegenheid uitgevonden wor den, kunnen toch moeilijk tegelijk aanvaard worden, zonder van de natuur een monstrum te maken” (II, 97). Al vloeien dus uit een hypothese de bekende verschijnselen voort, dan heeft men toch nog geen volkomen zekerheid, maar hoogstens „waarschijnlijkheid” bereikt (II, 101). Om van een verschijnsel de oorzaak te vinden, stelt men een hypothese op. Nu zijn er 3 gevallen: Uit de ontkenning volgt een absurditeit. Dan is de hypothese waar en blijvend. Uit de bevestiging volgt een dwaasheid. Dan is de hypothese valsch. Noch ontkenning, noch bevestiging is absurd. Dan is de hypothese twijfelachtig. „Dus”, zegt Pascal, „is het niet vol doende, dat alle (bekende) verschijnselen er uit volgen, wil een hypo these evident waar zijn, terwijl er slechts één ding tegen behoeft te zijn en de hypothese is valsch” (II, 99). En nu toont hij aan, dat we meestal met de derde soort te doen krijgen. Eenzelfde verschijnsel kan verschillende oorzaken hebben; een heete steen b.v. kan in het vuur of aan de zon gelegen hebben. Zoo meent Pascal, dat als men menschelijkerwijze redeneert over de beweging van de aarde en het terugloopen der planeten, alles volmaakt volgt uit de hypothesen van Ptolemaeus, Tycho en Copernicus, hoewel ze toch niet alle drie waar kunnen zijn. „Maar”, roept hij uit, „wie zou zulk een diepgaande beslissing durven nemen, zon der gevaar van vergissing?” (II, 100). Pascal gaat niet dieper op dit bizondere probleem in; zijn belangstelling voor astronomie is niet groot. Kepler gaf van de drie astronomische stelsels toe, dat zij „in genere” gelijkwaardig waren, maar dat „in specie” die van Copernicus toch het meeste verklaarde x). Pascal is begrijpelijkerwijs voorzichtig; een beslissend experimenteel bewijs voor Copernicus was nog niet gegeven en Kepler’s motieven zijn niet volstrekt dwin-1 1)
Zie: R. Hooykaas, Het Hypothesebegrip van Kepler. Orgaan 1939, pag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's