1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 132
128
lisatie-niveau. Slechts twee diersoorten hebben een cephalisatie gelijk aan het dubbele van die der hoofdgroep; vier soorten staan in cepha lisatie de helft lager, twee fossiele soorten staan in cephalisatie meer dan een achtste lager. De overige 18 soorten liggen op lijnen, die in verticale richting over een één-, drie-, resp vijfvoud van Ig V2 ten opzichte van de hoofdlijn der groep verschoven zijn, waaruit volgt, dat bij deze Ungulaten een sprongsgewijze variatie van den factor f (ook wel cephalisatie-factor genoemd) volgens een geheele macht van V 2 geen zeldzaamheid is. De beide exemplaren van Ovis Aries (Schaap), gelegen op lijn EE, hebben een cephalisatie, welke één sprong lager is dan die der hoofdgroep, W e stuiten hier op het be langrijke. in beginsel reeds door D a r w i n (1868) geformuleerde verschijnsel, dat de hoeveelheid hersenen bij gedomesticeerde soor ten. bij gelijk lichaamsgewicht, geringer is dan die der wildlevende, verwante soorten. Bij Sus scrofa (Varken) en Bos taurus (Koe) vinden we dit eveneens. Ook bij het Konijn, waarvoor D a r w i n dit verschijnsel het eerst vaststelde, zien we een vermindering van de hersenmassa onder invloed van de domesticatie. Merkwaardig is, dat dit meestal sprongsgewijze, volgens een V 2-voud, blijkt plaats te vinden. D u b o i s bepaalde bij benadering van enkele fossiele Ungulaten: Mesohippus bairdi leidyi; Palaeosyops leidyi Osb.; Anoplotherium commune; Moeritherium; Diplobune bavaricum; Uintatherium mirabile en Coryphodon hamatum uit de schedelcapaciteit het gewicht der hersenen, en door vergelijking met verwante, volgens de skeletmaten even groote huidige zoogdieren, het lichaamsgewicht. Voor de bijzondere overwegingen van D u b o i s raadplege men zijn oor spronkelijke artikel. Voegt men deze fossielen aan de graphiek toe, gelijk door mij in graphiek VI gedaan werd, dan blijkt dat de cepha lisatie van Mesohippus bairdi één kleine sprong (éénmaal V 2-voud), die van Moeritherium drie klein sprongen (3 maal V2) en die van Anoplotherium commune en Palaeosyops leidyi zelfs vijf kleine sprongen (5 maal V 2) kleiner is dan die der hoofdgroep. Deze door D u b o i s verschafte gegevens leeren ons dus, dat ook voor deze fossiele vormen dezelfde regel geldt als voor de huidige die ren. Verder blijkt hieruit ten duidelijkste, dat deze tertiaire dieren op een lager cephalisatie-niveau staan dan de voornaamste der hui dige verwanten, dat met andere woorden een voortschrijden in de phylogenetische lijn gepaard gaat met een toename der cephalisatie. De drie andere fossiele Ungulaten liggen vrij ver onder de lijnen GG en KK; een vergelijking met de dieren der hoofdgroep heeft daarom geen zin. Een onderlinge vergelijking leert evenwel dat de cephalisatie van Diplobune bevaricum drie kleine sprongen (3 maal V 2) hooger is dan die van Uintatherium mirabile en Coryphodon
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's