1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 175
171 De eisch, dien hij aan den godsdienst stelt, is dezelfde, dien hij ook aan de wetenschap stelt. Niet dat hij geheel redelijk (rationeel) is, evenmin dat hij geheel irrationeel is, maar wel, dat hij de werkelijk heid aanvaardt zooals zij is en haar niet door eigen bedenksels ver troebelt'
Nu spreekt de religie over God en over den mensch, over Schep per en schepping. Of hetgeen over God gezegd wordt juist is, kan de mensch moeilijk ,,bewijzen”. Als men hier nog van „bewijs” mag spreken, dan past hoogstens het bewijs door „ontkenning", dat Pascal gebruikt als iets ons begrip te boven gaat en toch is (men zie fr. 230): het oneindige in de wiskunde, dus ook de oneindige God. Aan twee eischen moet nu de ware godsdienst, van menschenkant bezien, voldoen: hij erkent, dat God „verborgen” is (zie fr. 585) en hij kent de menschelijke natuur (fr. 442; fr. 433: „II faut, pour faire qu’une religion soit vraie, qu’elle ait connu notre nature”) . En nu schildert Pascal de menschelijke natuur in haar typische tweeslachtigheid; de Rede in haar onmacht en beperktheid eenerzijds in haar grootheid anderzijds, want het is toch maar de Rede, die in staat is haar eigen onmacht in te zien. De mensch is slechts een stip in het heelal, maar hij overtreft het heelal doordat hij weet, dat hij bestaat. Hij is ellendig, maar hij is groot omdat hij dat weet (fr. 416). Kortom, hij is een vat vol tegenstrijdigheden, „gloire et rebut de 1’univers” (fr. 434), een „monstre incompréhensible” (fr. 420). Andere vragen stormen op hem af: waarom leef ik juist hier in de oneindige ruimte en juist nu in den oneindigen tijd; waar kom ik vandaan en waar ga ik heen? (fr. 194, 205, 206, 693). Dat is dan de vrijheid van den souvereinen mensch, dat heet dan „het juk afge schud hebben”, roept Pascal schamper uit. W ant als hij de antwoor den van wijsgeeren en theologen de kritische revue laat passeeren, dan blijken zij hol te zijn, daar de Rede zelf hen logenstraft. Alleen „het pyrrhonisme is waar” (fr. 432), alleen de moedelooze agnos ticus zou gelijk kunnen hebben, als er toch niet iets in ons was, dat ons waarschuwde, dat er een waarheid is, al kennen wij die niet. W ant als de Rede ons gedwongen heeft tot skepticisme tegenover de oplossingen der valsche Rede, dan is het oogenblik gekomen, dat het Hart zijn rechten opeischt. „W ie onzen waren toestand onder zoekt door natuurlijke Rede”, zegt Pascal, „komt öf bij de dogma tische wijsgeeren, óf bij de pyrrhonisten terecht. Maar de Rede zelf brengt de dogmatici in verlegenheid en de Natuur (d.w.z. het aangeborene!) beschaamt de pyrrhonisten" (fr. 434). Immers, de dogma • tici doen de realiteit geweld aan en verwikkelen zich in tegenstrij digheden; de pyrrhonisten (= skeptici) kunnen, ondanks hun luide verzekeringen van het tegendeel, het zwakke vonkje van het oor spronkelijke licht, dat in hun hart gebleven is, niet dooven. „W e
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's