1939 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 37
33
vornherein in der noch nicht in Rassen zerfallenen Menschheit alle Blutgruppen vertreten waren.” W ij willen eindigen met wat meer positieve beschouwingen. Het zou kunnen zijn dat het feit, dat de serologische verschillen tusschen mensch en menschapen in vele opzichten zoo gering blijken, toch nog den indruk wekt van bijzondere beteekenis te heb ben voor de verhouding van mensch en dier. Inderdaad lijkt de aanwezigheid van dezelfde bloedgroepen bij beide partijen erg veel op een directe, werkelijke bloedverwantschap. Het is zelfs mogelijk, dat men meer gewicht zou hechten aan dit argument, dan aan die welke gewoonlijk ten bewijze van descendentie worden aangevoerd. n.1. die afkomstig van de vergelijkende anatomie, de ontogenie en de palaeontologie. Laten wij ons daarom nog eens afvragen was het eigenlijk zeggen wil, tot een bepaalde bloedgroep te behooren en wat de beteekenis der bloedgroepen is. W ij komen dan tot de volgende overwegingen. Het phaenotypisch aanwezig zijn van verschillende bloedgroepen bij H omo sapiens is een gevolg van de tegenwoordigheid van ver schillende erffactoren of genen. Deze genen veroorzaken aan de erythrocyten en in verschillende lichaamsvochten de aanwezigheid van bepaalde chemische stoffen, de agglutinogenen. Deze laatste gaan met daarbij passende agglutininen, afkomstig uit het bloedserum, reacties aan. Niet bij alle individuen zijn deze reacties dezelfde en men kan deze individuen in groepen vereenigen, wier gedrag ten opzichte van een bepaalde stof hetzelfde is. Het is nu reeds herhaaldelijk gebleken, dat dergelijke reactieverschillen ook bestaan buiten den mensch. Groepsspecifieke stoffen komen óók voor bij ratten, muizen, paard, rund. schaap, varken en bij kippen. Op den duur zal het aantal diersoorten, waarbij dit ge bleken is, ongetwijfeld nog grooter worden. Van bijzondere betee kenis lijkt mij hier een uitgebreid en grondig onderzoek bij het paard, omdat daarbij gebleken is, dat bij dit dier agglutionogenen voorko men, die met menschelijke vrijwel identiek zijn. Als dit juist is, dan komen dus erffactoren, die gelijke phaenotypische gevolgen met zich meebrengen, zoowel bij paard als bij apen en mensch voor. Hiermede verliezen ze dan evenwel meteen hun beteekenis als bewijzen voor een eventueele afstamming, daar toch niemand het paard in de lijn der menschelijke voorouders zal willen plaatsen. Wellicht blijkt een overeenkomstige gelijkheid later ook nog voor het bloed van andere zoogdieren. Zoo bezien wordt dan het verschijnsel der z.g. bloed groepen teruggebracht tot de aanwezigheid van bepaalde chemische substanties, die ook in scheikundig opzicht nauw verwant zijn. Dat een dergelijk voorkomen niets bijzonders is blijkt, naar het mij voor komt, voldoende hieruit, dat we zulk een aanwezigheid van talrijke chemische stoffen kennen. Om slechts één voorbeeld te noemen: de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 januari 1939
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 190 Pagina's