1942 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 66
52 Zon, Mars, Jupiter en Saturnus. Nu leerde de waarneming, dat de banen der planeten aan den hemel geen zuivere cirkels waren. Dit was geen bezwaar, want Ptolemaeus voerde het begrip epicykel in. De planeet bewoog zich in een cirkel (een epicykel), waarvan het middelpunt een cirkelbaan langs de sfeer beschreef. Zoo noodig werden epicykels van de tweede, derde en hoogere orde ingevoerd. Het geheel van deze zeven sferen wordt ingesloten door de sfeer der vaste sterren, waarlangs deze hemellichten hun cirkelvormige banen doorloopen. Men had ook al een voorstelling van de afmetingen der hemelruimte. De straal van het heelal schatte men op 10.000 millioen kilometer, d.i. V/i millioen aardstralen. Men wist dus in de Oudheid wel degelijk, dat de aarde klein was ten opzichte van de afmetingen van het heelal; maar toch vond men het niet onlogisch, dat deze ontzaglijke hemel om de kleine aarde draaide. Het was niet de aarde, die de beweging beheerschte, maar het middelpunt der wereld, waar de aarde zich bevond, en de hemellichamen draaiden daarom van nature. Deze cosmologie van Aristoteles doet zich aan ons voor als een hecht bouwwerk, opgetrokken op de pijlers van natuurlijke plaats en natuurlijke beweging. Het is systematisch opgetrokken, het is in alle opzichten af. Alleen een genie kon zulk een theorie scheppen. Deze cosmologie vormt een schoon geheel. Bijna tweeduizend jaren achtereen heeft zij iedereen volkomen bevrediging gegeven. Iedereen, heiden. Christen, Mohammedaan, later: Roomsch-Katholiek en Protestant. De cosmos was voor de Grieken eeuwig, volmaakt en harmonieus. Juist deze harmonie trok steeds hun aandacht. W a t er aan meetkunde in deze wereld is, zeiden Pythagoras, Plato en Aristoteles, dat moet God, de eeuwige meetkundige, erin gelegd hebben. De wereldtheorie van Aristoteles, waarin alles sloot als een bus, voldeed aan alle verwachtingen der Grieken. Deze cosmologie bood hun een geschikt kader voor hun godsbegrip en wereldbeschouwing. Het monotheisme van de Grieken is ontsproten uit beschouwingen over de eenheid van den cosmos. Het vond slechts aanhang bij een klein getal philosophen en geleerden, de groote massa bleef polytheist. Maar voor deze denkers openbaarde God zich in den cosmos. De God der Grieken openbaarde zich in de ruimte. Het volk der Joden heeft nooit een eigen volledige cosmologie gehad. Maar geleid door de bijzondere openbaring hadden zij andere opvattingen over den God van hemel en aarde dan de Grieken. De wil van den Allerhoogte was de eenige geestelijke waarde. Dat hebben de profeten telkens weer verkondigd. De mensch had zich te bekeeren en te buigen voor Gods gebod. Bij de Grieken was het doel van het heelal geheel vreemd aan de bestemming van den mensch.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 144 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 januari 1942
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 144 Pagina's