1944-1945 Orgaan van de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland - pagina 63
59 onderscheidt tegenwoordig in de geschiedenis van vele stammen een drietal fasen. In de eerste fase verschijnt het nieuwe grondtype ex^ plosief, onder directe opsplitsing in meerdere ondertypen, welke aan bepaalde levensomstandigheden zijn aangepast. De verschillende mogelijkheden van het grondtype worden hierbij uitgewerkt met behoud van het fundamenteele bouwplan. Zoo treden b.v. de weekdieren op met 6 essentieel verschillende typen, waaronder die der slakken, der koppootigen en der schelpdieren. Onderlinge herleiding dezer typen is niet mogelijk. Vervolgen wij de stamreeksen terug in het tijdsverloop, dan blijken ze naar beneden toe steeds meer te convergeeren. Maar deze convergentie overschrijdt nooit een zekere grens; nimmer vindt men een werkelijk snijpunt der verschillende typen, waarop de gezochte stamvorm zou staan. Terwijl in de eerste fase de klasse-, orde- en familietypen optreden, worden in de tweede fase deze typen uitgewerkt in tal van geslachten en soorten, waarbij de eenmaal ingeslagen ontwikkelingsrichting tot aan het einde wordt volgehouden. Men noemt dit verschijnsel orthogenese. Tot deze tweede fase behooren de bekende stamreeks,en, zooals b.v. die der paarden en der olifanten. Zij is de eigenlijke bloeifase van den stam, waarin groei en rijping plaats hebben. In de derde fase komt het einde van den stam, vaak ingeluid door een soort van oplossingsproces. Een zekere onrust en onzekerheid is in de vormen dezer fase op te merken; men spreekt van een ,,vormverwildering", blijkend uit een toenemende individueele variabiliteit, waardoor het moeilijk wordt typische soortgrenzen vast te stellen. Daarbij kamen dan nog allerlei pathologische verschijnselen, zooals reuzenvormen met monsterachtige afmetingen en overmatigen groei van bepaalde lichaamsdeelen. Het schijnt, alsof de individuen zich willen onttrekken aan de heerschappij van de wet van het type. Voorbeelden van stammen, die geheel van het tooneel verdwenen, zijn vier groote groepen van weekdieren en vijf groote groepen van reptielen, die alle aan het einde van het Krijt-tijdperk zijn uitgestorven. Het Wonder der Schepping. In de spontaneïteit, waarmee nieuwe typen van levende wezens optreden, openbaart zich het wonder der schepping. Wij spreken hier van het wonder, omdat zich telkens iets nieuws voordoet, een nieuw beginsel van orde, dat uit het vroegere, het voorafgaande niet is af te leiden. De Schrift gaat ons daarbij voor; zij spreekt van de wonderwerken Gods, de groote dingen, die het menschelijk verstand niet kan doorgronden. De sterrenhemel, de aarde en de zee met alles wat zich daarop en daarin beweegt getuigen van Godswonderdoende macht. Wonderen zijn volgens de Schrift niet alleen de onbegrijpe-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1945
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 128 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 januari 1945
Orgaan CVNG Geloof en Wetenschap | 128 Pagina's